In het door sociale partners en overheid gesloten Pensioenakkoord is
afgesproken de AOW en pensioenleeftijd in stappen te verhogen naar 67
jaar. Een historische wijziging en de gevolgen zijn voor iedereen
merkbaar. Werknemers gaan langer doorwerken en werkgevers moeten meer
dan voorheen invulling geven aan arbeidsparticipatie van oudere
werknemers. En pensioenregelingen moeten worden aangepast. Het
Pensioenakkoord heeft niet alleen impact op de door pensioenfondsen
uitgevoerde collectieve pensioenregelingen maar treft iedere onderneming
met een pensioenregeling. Ook de DGA en de zelfstandig ondernemer gaan
de gevolgen ondervinden.
Het mag bekend zijn dat sociale partners en overheid geconfronteerd zijn met een fait accompli nu de beperkingen in ons huidige pensioenstelsel pijnlijk zichtbaar worden door de recente financiële en economische crisis. De niet voorziene combinatie van een beurscrisis en lage rente liet de dekkingsgraden van pensioenfondsen imploderen. Het sprookje van een hard pensioen -want levenslang en waardevast- werd ruw verstoord door alarmerende en slecht gecommuniceerde berichten over het korten van pensioenaanspraken. En de toegenomen levensverwachting strooit zand in de herstelplannen. Het is een harde les voor alle stakeholders dat de naïeve ambitie van 70% van het laatst verdiende loon vanaf uiterlijk 65 jaar nu definitief naar het rijk der fabelen is verwezen. MKB-ondernemingen met verzekerde regelingen hebben in de afgelopen jaren bij contractsverlengingen al veel eerder de pijn gevoeld die de pensioenfondsen nu voelen. Een sterk toegenomen levensverwachting gecombineerd met een structureel laag rendement heeft de tarieven van verzekeraars laten oplopen en winstdeling wordt steeds vaker met rode inkt geschreven. Of, zoals het verwoord staat in het Uitwerkingsmemorandum van het Pensioenakkoord, “Er moet voorkomen worden dat als gevolg van de toenemende levensverwachting de pensioenambitie sluipenderwijs en stilzwijgend wordt verhoogd” en “Pensioencontracten moeten schokbestendig worden gemaakt voor ontwikkelingen op financiële markten (rente, inflatie, rendementen)”. Het is eenvoudig, zoals onderstaande tekening laat zien.
De werkgever en de werknemers sluiten pensioenovereenkomsten waarin pensioenambitie en verdeling van de kosten zijn geregeld. De werkgever sluit met een levensverzekeraar een overeenkomst om gedurende de looptijd de aan die periode toe te rekenen pensioenaanspraken van de werknemers over te nemen en levenslang te garanderen. Voor de aanvaarding van die verplichting wordt de levensverzekeraar schadeloos gesteld, hij ontvangt premie. Risico’s van rendement en lang leven liggen vanaf dat moment bij de levensverzekeraar. Vanzelfsprekend houdt de levensverzekeraar daar rekening mee bij de tariefstelling.
Als de pensioenregeling wordt uitgevoerd door een pensioenfonds geldt het voorgaande ook. Met één belangrijk verschil: een pensioenfonds heeft een vangnet voor slechte tijden. Een levensverzekeraar moet de pensioenambitie écht garanderen, maar een pensioenfonds maakt een voorbehoud. Als de financiële positie slecht is en er geen uitzicht is op herstel, kan het pensioenfonds de pensioenambitie naar beneden bijstellen door de pensioenaanspraken te korten. Dat verbetert de dekkingsgraad direct omdat de verplichtingen lager worden bij een gelijk vermogen.
Maatregelen uit het akkoord en het voorlopig wetsvoorstel
C’est le ton qui fait la musique. Dat gaat zeker op voor de implicaties van de afspraken uit het Pensioenakkoord. De boodschap is dat de pensioenleeftijd vanaf 2020 naar 66 jaar gaat en in 2025 naar 67 jaar. Maar enige nuance is hier op zijn plaats:
De reden om de verhoging van de pensioenleeftijd al per 1 januari 2013 door te voeren is de dringende wens van het kabinet om de in het regeerakkoord opgenomen besparingen te realiseren. Door de verhoging van de pensioenleeftijd wordt een, verder niet in het voorontwerp wetsvoorstel onderbouwde, besparing gerealiseerd van € 700 miljoen per jaar!
Flankerende maatregelen
Door flankerende maatregelen blijft het mogelijk om ook na 2020 op 65-jarige leeftijd met pensioen te gaan zonder al te veel in te leveren op het pensioen. Van belang voor de vele koopkrachtplaatjes die in de onderhandelingen over tafel zijn gegaan (en nog zullen gaan), is de extra verhoging van de AOW-uitkering vanaf 2013. De AOW wordt jaarlijks, bovenop de gebruikelijke verhoging op basis van de ontwikkeling van de contractlonen, met 0,6% verhoogd, in ieder geval tot 2029. Een andere maatregel is het invoeren van de mogelijkheid van vervroegen of uitstellen van de AOW-uitkering. Een flexibele ingangsdatum is voor pensioenregelingen al sinds 1999 mogelijk en inmiddels in de meeste pensioenregelingen opgenomen. Het eerder of later in laten gaan van de AOW uitkering is vanaf 2020 mogelijk en leidt tot een verlaging respectievelijk verhoging van de uitkering met 6,5% voor ieder jaar dat afgeweken wordt van de -op dat moment geldende- reguliere ingangsleeftijd.
Nieuw pensioencontract
Een belangrijk onderdeel van het Pensioenakkoord is de introductie van een nieuw pensioencontract. Het vertrekpunt vormt een middelloonregeling met een loongerelateerde pensioenambitie en een aan de prijzen gerelateerde pensioenuitkering. Een ‘zacht’ pensioen, want de pensioenleeftijd van opgebouwde pensioenaanspraken wordt verhoogd als de levensverwachting stijgt. En het pensioen wordt gekort als de financiële situatie van het pensioenfonds daartoe noopt. Het blijft mogelijk het huidige ‘harde’ pensioen toe te zeggen, maar in dat geval moet de financiering steviger zijn dan nu het geval is.
Gevolgen
Het wetsvoorstel inzake de verhoging van de pensioenleeftijd geldt voor het pensioen dat wordt opgebouwd vanaf 2013 en heeft geen terugwerkende kracht. De ingangsleeftijd voor de tot 2013 opgebouwde pensioenaanspraken blijft onveranderd 65 jaar. Er ontstaat dan ook, na de Witteveen-kamp uit 2004 en de VPL-knip uit 2006, opnieuw een knip in de pensioenaanspraken, de Kamp-knip. Of eigenlijk de Kamp-knippen. Want na twee jaar pensioenopbouw met 66 jaar als ingangsleeftijd, wordt vanaf 2015 pensioen opgebouwd met 67 jaar als ingangsleeftijd en ontstaat de tweede knip.
In het Uitwerkingsmemorandum van het Pensioenakkoord is wel de uitdrukkelijke wens opgenomen om de opgebouwde pensioenaanspraken om te zetten naar het nieuwe pensioencontract, het zogenoemde invaren van bestaande aanspraken. Maar aan het invaren kleven belangrijke juridische bezwaren. Het verhogen van de ingangsleeftijd van een opgebouwde pensioenaanspraak en het omzetten van een hard pensioen naar een zacht pensioen lijken in strijd met het eigendomsrecht. Het nieuwe, zachte pensioen is overigens ook de splijtzwam die vakbonden verdeeld houdt en het Pensioenakkoord op losse schroeven zet.
Tips voor de praktijk
Voor de praktijk is het goed te weten dat: