Werkenden moeten zelf verantwoordelijk worden voor hun sociale zekerheid. Zij moeten zelf in staat zijn nieuw werk te vinden door hun kennis en vaardigheden op peil te houden. De overheid moet dat mogelijk maken met bijvoorbeeld een inkomensverzekering.
Dit bepleit de Baliegroep, een denktank van kopstukken uit vakbeweging,
werkgeverskring en wetenschap vandaag in een ingezonden
stuk in de Volkskrant. Onder hen SER-voorzitterAlexander Rinnooy Kan, oud-CNV-voorzitter Doekle
Terpstra, Jeroen de Glas van FNV Jong en Ronald De Leij van werkgeversvereniging AWVN.
De groep constateert dat de crisis zichtbaar maakt dat bestaande regelingen onvoldoende bescherming bieden. ‘Meer dan een miljoen zelfstandigen verblijven in een soort niemandsland als het gaat om sociale bescherming. De vaste baan garandeert allerminst werkzekerheid en aan de onderkant zijn allerlei minimale regelingen ontstaan’, stelt de groep.
Collectieve regelingen voor alle werknemers in een bedrijf of hele economische sectoren, zoals de bouw of de metaalindustrie, kunnen volgens de auteurs vervallen. Elke werknemer maakt zelf afspraken met zijn bedrijf of instelling over productie, tijd, geld en de duur van het contract.
Daarnaast maakt hij afspraken over de ‘professionele ontwikkeling’ en over zekerheden die het individu zonodig voor zichzelf dient te regelen.
Cao’s moeten ‘ontwikkelovereenkomsten’ worden voor groepen werknemers, met afspraken over scholingsbudgetten en over extra verzekeringen voor arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, pensioen, verlof en beloning.
Als de overheid de voorstellen ondersteunt met een inkomensverzekering voor
iedere werkende, zou het verschil tussen werknemers, freelancers en
zelfstandigen komen te vervallen.
Onderstaand het ingezonden stuk uit de Volkskrant:
Leni Beukema , Jeroen de Glas , Hans Kamps e.a , 11-11-2009 07:00
De manier waarop mensen vorm geven aan hun werkzame leven verandert snel. Instituties en regelingen moeten daar beter op inspelen. Het vaste contract wordt steeds minder de norm. Het vaste contract zelf is ook veranderd: na gemiddeld vijf jaar veranderd iemand van werk of werkgever en de inhoud van het werk verandert in die vijf jaar ook nog eens regelmatig. Een veelkleurig palet van arbeidsrelaties is ontstaan, variërend van deeltijders in alle soorten en maten, uitzendkrachten, gedetacheerde werknemers tot zelfstandigen zonder personeel.
De huidige crisis versnelt deze ontwikkeling. We zien aan de ene kant een verdere groei van het aantal mensen dat zelfs in crisistijd geheel of gedeeltelijk als zelfstandige aan de slag gaat. Aan de ander kant zien we een verdere segmentering van de arbeidsmarkt, met alle risico’s voor dreigende uitsluiting van mensen.
Onvoldoende
De
huidige crisis maakt ook zichtbaar dat de bestaande arrangementen in
onze arbeidsverhoudingen onvoldoende bescherming bieden. Het bereik
ervan is beperkt, de werkingsfeer te gesloten. Voor groepen aan de
onderkant van de arbeidsmarkt zijn er buiten de cao allerlei nieuwe,
minimale arrangementen ontstaan. De meer dan een miljoen zelfstandigen
verblijven in een soort niemandsland als het om sociale bescherming
gaat en het vaste contract garandeert allerminst werkzekerheid. Wie op
een vast contract vertrouwt en zich niet ontwikkelt, komt bedrogen uit.
Dat zien we vooral bij oudere vaste werknemers die recent op straat
zijn komen te staan en die zich al langere tijd niet verder ontwikkeld
hebben.
Deze ontwikkelingen vragen om een radicale vernieuwing
van de arbeidsverhoudingen. We staan op een punt, waarop cruciale
vragen elkaar raken: kiezen we voor verdere verzelfstandiging van alle
werkenden en is het de vraag of en hoe zij daarin ondersteund dienen te
worden, of handhaven we de schijnzekerheid en bevoogding van de huidige
arbeidscontracten? Kiezen we voor een arbeidsmarkt die ook plaats
inruimt voor mensen met beperkingen of kiezen we voor het handhaven van
het uitsluiten van deze groepen? Blijven de institutionele partijen de
verouderde arbeidsverhoudingen als uitgangspunt kiezen en gestaag aan
invloed verliezen, of gaan zij de nieuwe verhoudingen juist mede
vormgeven?
Doorzettende ontvoogding
De ontwikkeling
naar meer differentiatie sluit aan bij een belangrijke tendens in de
arbeidsverhoudingen: die naar een groeiende zelfstandigheid van de
werknemer ten opzichte van de werkgever. In veel arbeidsorganisaties
staan werkgever en werknemer steeds minder in een traditionele
hiërarchische verhouding tot elkaar. Dat is een ontwikkeling die niet
alleen aan de bovenkant, maar op alle niveaus te zien is. Het
toenemende belang van vakmanschap, professionaliteit en competenties
zorgt ervoor dat arbeidsrelaties, naast productieplekken, meer en meer
leer- en ontwikkelplekken worden, waarin individuen hun bijdrage aan
het groter geheel (leren) leveren. Individueel maatwerk, ontwikkeling
en zeggenschap zijn hierin sleutelbegrippen.
Volgende stap
Deze
ontwikkeling is een volgende stap in de emancipatie van werkenden, in
doorzettende ontvoogding. Dit stelt nieuwe eisen aan
arbeidsorganisaties en aan managers. Zij kunnen niet langer sturen
langs traditionele hiërarchische lijnen. Zij moeten grotere
zelfstandigheid voor de werkenden kunnen combineren met steeds hogere
output eisen.
Tegelijkertijd ontstaat er een nieuw risicoprofiel.
De sociale risico’s van de 21ste eeuw zijn, naast de traditionele
risico’s van inkomensverlies bij werkloosheid en arbeidsongeschiktheid,
ook risico’s van onvoldoende actuele scholing, gebrek aan sociale en
maatschappelijke bindingen en aan relatienetwerken.
Worden deze
risico’s werkelijkheid, dan is een gebrek aan start- en
schakelmogelijkheden op de arbeidsmarkt en in de samenleving het gevolg
en dreigt blijvende marginalisering. De ontwikkeling naar meer
differentiatie en toenemende zelfstandigheid van werknemers kent dan
ook niet louter winnaars. De nieuwe risico’s cumuleren aan de rand van
de arbeidsmarkt, waar veelal laagopgeleide werknemers moeite hebben
zich te handhaven. Hun zelfstandigheid is er vaak één die afgedwongen
is. De stap naar meer perspectief is voor hen steeds moeilijker te
maken.
Naar een nieuw sociaal contract
In het
manifest van 4 jaar geleden ‘sociale zekerheid als investering’ heeft
De Baliegroep gepleit voor een ander stelsel van sociale zekerheid,
waarin bescherming van mensen gekoppeld is aan investering in mensen.
Die lijn willen we nu doortrekken. Er is een ander stelsel van
arbeidsverhoudingen nodig dat niet alleen investeringen in werknemers
mogelijk maakt maar hen ook beschermt. Uitgangspunt is de kracht van
het zelfstandige individu dat zich kan versterken via zelf gekozen
collectiviteiten. Zo worden de contouren zichtbaar van een nieuw
sociaal contract tussen samenleving, arbeidsorganisaties en werkenden.
•
Op het individuele niveau sluit een werkende een contract met de
arbeidsorganisatie. Daarin staan afspraken over resultaat, tijd, geld
en de duur van het contract. Daarnaast worden afspraken gemaakt over de
professionele ontwikkeling en over zekerheden die het individu zonodig
voor zichzelf dient te regelen. Deze zekerheden kunnen de vorm krijgen
van extra financiële ruimte voor zaken als scholing, coaching,
zorgverlof, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.
• De huidige
CAO wordt omgezet in een ontwikkelovereenkomst, waarin afspraken
gemaakt worden over budgetten voor scholing en over bovenminimale
verzekeringen voor arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, pensioen verlof
en beloning
• De overheid ondersteunt alle werkenden met een investeringsregeling.
De overheid waarborgt voor alle werkenden de mogelijkheid van inkomensverzekering op een zodanig niveau zodat niemand onvrijwillig tot armoede kan vervallen. Daarmee vervalt het verschil tussen werknemers, freelancers en zelfstandigen. Alle werkenden betalen in een dergelijk nieuw stelsel mee aan deze verzekering.
• De individuele werkende is primair verantwoordelijk voor het bijhouden en ontwikkelen van de eigen vakbekwaamheid. Daartoe investeert hij zelf uit het individuele budget van zijn overeenkomst met de arbeidsorganisatie. Hij wordt verder ondersteund door de investeringsregeling en uit investeringsruimte die in collectieve afspraken is vastgelegd. Dit alles resulteert in een individueel scholingsrecht dat meeneembaar is. De huidige sectorale scholingsrechten worden zodoende omgezet in individuele scholingsrechten.
• Mensen met onvoldoende start- en schakelmogelijkheden moeten op weg worden geholpen bij het goed benutten van hun investeringsruimte.
• De school van de toekomst laat de leerling niet los na het behalen van het diploma, maar zorgt, samen met de arbeidsorganisatie, voor een stage of startplek en biedt de leerling de mogelijkheid zijn vakbekwaamheid tijdens de hele loopbaan te onderhouden en verder te ontwikkelen. Van de scholen wordt een actieve rol verwacht wanneer werkenden onderinvesteren en hun vakmanschap dreigen te verliezen.
• Arbeidsorganisaties werken samen met de scholen (ook HBO en WO niveau) via stageplaatsen en het uitwisselen van kennis. Ook sectoren blijven een belangrijke rol spelen, door bijvoorbeeld scholingseisen mee te bepalen en opleidingen mede mogelijk te maken.
• Aanvullende verzekeringen zijn een zaak van burgers zelf, individueel of in collectiviteit naar eigen keuze. Rechten die in collectief verband opgebouwd worden ( hetzij onderling hetzij via de arbeidsorganisatie) zijn wel individueel. Indien iemand overstapt van de ene onderneming of sector naar de andere, behoudt hij zijn rechten. Alle werkenden kunnen advies en ondersteuning krijgen bij het uitonderhandelen van de eigen arbeidsvoorwaarden en het vormgeven van de eigen loopbaan, over hoe te handelen in geval van conflict en over de organisatie van pensioenvoorzieningen en verzekeringen. Dit is een uitgelezen kans voor de vakbeweging om niet alleen collectieve contracten af te sluiten, maar ook een ondersteunende rol te spelen op individueel niveau.
• Alle zelfstandige werkenden hebben af en
toe steun nodig. Daarbij zal het gaan om advies en ondersteuning bij
het vormgeven van de eigen loopbaan, in geval van conflict en over de
organisatie van pensioenvoorzieningen en verzekeringen. Dit is een
uitgelezen kans voor de vakbeweging om niet alleen collectieve
contracten af te sluiten, maar ook een ondersteunende rol te spelen op
individueel niveau.
• Velen zullen zelf de benodigde ondersteuning inroepen vanuit hun investeringsbudget. Daarnaast blijft een groep burgers bestaan die afhankelijk is van beschermde werkgelegenheid. Deze werkgelegenheid wordt georganiseerd in de open omgeving van het reguliere bedrijf. De werkgever vergoedt de werkelijke bijdrage aan de productie en de samenleving neemt het complement voor haar rekening. Dat complement is een inkomen dat de te geringe arbeidsproductiviteit aanvult, evenals de organisatie en kosten van begeleiding in en naar het werk. Voor deze groep is de financiering van loopbaanbegeleiding dus een taak van de overheid.
• Als iemand een beroep doet op inkomensbescherming mag verwacht en zonodig verlangd worden dat hij zijn investeringsbudget gebruikt om zijn arbeidsmarktpositie te versterken. De overheid beoordeelt in een dergelijke situatie de claims door middel van een onafhankelijk assessment. De claimbeoordeling blijft een publieke verantwoordelijkheid, de uitvoering kan door private partijen worden gedaan. De ondersteuning moet zo worden vormgegeven dat burgers in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor hun re-integratie. Ook hier kan op grotere schaal worden ontvoogd. De individuele re-integratie overeenkomsten (IRO´s) zijn een goed voorbeeld van de wijze waarop dat zou kunnen.
Langs
deze lijnen worden de contouren zichtbaar van een nieuw sociaal
contract tussen samenleving, arbeidsorganisaties en (aankomend)
werkenden. In dit sociaal contract staat participatie in brede zin
centraal en zijn de verantwoordelijkheden van overheid, onderneming en
aankomend werkenden helder. De voorwaarden ervan kunnen worden vertaald
in een modern sociaal contract waarin een basispakket van inkomens-,
zorg- en leerrechten wordt geformuleerd. Dat contract sluit aan op de
gedachtevorming van de zogeheten burgerpolis.
Oproep
De
voorstellen, zoals we die hier hebben neergelegd, zijn niet uitputtend
en vormen geen blauwdruk. Integendeel, het gaat niet alleen om het
ontwikkelen van ideeën, het gaat ook - en misschien vooral - om het
creëren van ruimte om er in de praktijk mee te experimenteren en er zo
verder van te leren. Geen van de (institutionele) partijen kan de
uitwerking van deze nieuwe optiek alleen voor z’n rekening nemen. We
roepen deze partijen op tot het sluiten van een baanbrekend akkoord,
waarmee een oversteek gemaakt kan worden naar een stelsel waarin
werkenden zelfstandiger worden, mensen met beperkingen worden
ingesloten en er voortdurend wordt geïnvesteerd in de ontwikkeling van
alle werkenden.
Het Manifest in de Volkskrant is geschreven
door leden van De Baliegroep, een onafhankelijke denktank van personen
uit de wereld van werkgevers en werknemers en de publieke sector.
Leni Beukema (De Onderlinge), Jeroen de Glas (voorzitter FNV-Jong), Hans Kamps (voorzitter ABU), Ivo Kuijpers (De Onderlinge), Ronald De Leij (directeur DECP/adviseur AWVN), Marjan van Noort (directeur De Burcht), Hans Spigt (Wethouder Dordrecht/ voorzitter commissie sociale zekerheid VNG), Kick van der Pol (voorzitter Boaborea), Alexander Rinnooy-Kan (voorzitter SER), Doekle Terpstra (voorzitter HBO-raad), Tof Thissen (fractievoorzitter GroenLinks Eerste Kamer/oud voorzitter Divosa), Erry Stoové (voorzitter SVB), Mirjam Sijmons (hoofddirectie ANWB), Jos Verhoeven (directeur Start Foundation).