Het is alleszins redelijk dat een werkgever van de deelnemer in de pensioenregeling een bijdrage vraagt in de kosten van de pensioenvoorziening. Dit is de zogeheten “eigen bijdrage” of “deelnemersbijdrage”. Het is gebruikelijk dat geen bijdrage wordt gevraagd van werknemers die nog niet aan de opname-eisen van de volledige regeling voldoen, maar voor wie wel een risicoverzekering van partnerpensioen wordt getroffen (wachttijdverzekering).
Een deelnemersbijdrage dient door de werkgever via inhouding op het loon plaats te vinden. De werkgever voldoet vervolgens deze werknemersbijdrage samen met de werkgeverspremie aan de pensioenuitvoerder.
Belasting
Bijdragen die worden ingehouden als deelnemersbijdrage behoren niet tot het loon. Dit betekent dat de loonbelastingtabel moet worden toegepast op het loon nadat het is verminderd met de in te houden werknemersbijdrage. Daarom is er geen loonbelasting, maar zijn er ook geen inkomstenbelasting, premies volksverzekeringen en premies werknemersverzekeringen over deze bijdrage verschuldigd.
Gelijke behandeling
Bij het bepalen van een eigen bijdrage moet niet alleen worden gelet op de beoogde verdeling van lasten over werkgever en werknemers, maar moeten ook de wettelijke voorschriften van gelijke behandeling in acht worden genomen.
Salaris-diensttijdregelingen
Een werknemersbijdrage mag niet verschillen voor mannen en vrouwen en mag geen onderscheid maken naar burgerlijke staat en naar leeftijd.
De werknemersbijdrage kan daarom niet worden uitgedrukt in een percentage van de premie als er een actuarieel tarief wordt gevoerd. Een eigen bijdrage zou dan namelijk ingeval van gelijke pensioenaanspraken verschillende inhoudingen opleveren voor mannelijke respectievelijk vrouwelijke deelnemers.
Binnen dit juridische kader is de meest reële wijze van het bepalen van een deelnemersbijdrage een bijdrage die is uitgedrukt in een voor iedereen gelijk percentage van de pensioengrondslag.
Beschikbare premieregelingen
Sinds 1 mei 2004 mag een deelnemersbijdrage in beginsel niet leeftijdsafhankelijk zijn. Leeftijdsafhankelijkheid ontstaat als de bijdrage gerelateerd wordt aan de (beschikbare) premie. Een uitzondering is mogelijk als de werkgever een objectieve rechtvaardigingsgrond heeft, maar daar worden zware eisen aan gesteld. Een andere uitzonderingsmogelijkheid zou er kunnen zijn als er een actuariële berekening ten grondslag ligt aan de deelnemersbijdrage.
Nadat eerst de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) de uitzondering van de actuariële berekeningen in concreet voorgelegde gevallen niet geaccepteerd, had, heeft minister De Geus in een brief van 21 april 2005 aan de Tweede Kamer geschreven dat de wetgever beoogd heeft dat de wettelijke uitzondering van actuariële berekeningen ook toegepast mag worden op deelnemersbijdragen. De minister vindt dat, als een verschil in premie het gevolg is van een actuariële berekening, ook de doorwerking daarvan naar deelnemersbijdragen een geoorloofd leeftijdsonderscheid oplevert.
In de ogen van de minister is het daardoor toegestaan dat de deelnemersbijdrage in een beschikbare-premieregeling een percentage bedraagt van de beschikbare premie. (Die laatste zal namelijk op grond van diezelfde wet alleen via een actuariële berekening bepaald kunnen zijn.)
De minister erkent dat de concrete toepassing van de wet is overgelaten aan de CGB en de civiele rechter.