Sociale premies worden
in de regel vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(SZW). Dat geldt echter niet voor de WGA-premie. Deze premie wordt vastgesteld door het UWV.
Op de WGA-markt heeft het UWV hierdoor een concurrentievoordeel.
Dit is een merkwaardige situatie omdat de overheid al in 1998, bij de introductie van de Wet Premiedifferentiatie en Marktwerking bij Arbeidsongeschiktheid (Pemba), beloofde te zorgen voor een zogeheten level playing field. De publieke uitvoerder (het UWV) en private verzekeraars zouden onder dezelfde condities concurreren op de markt van eigen risicodragen WAO.
Het UWV heeft vanaf 1998 daadwerkelijk van zijn positie ‘gebruik’ gemaakt om op bepaalde momenten de publieke premie lager vast te stellen dan verwacht mocht worden op grond van de feitelijke lastenontwikkeling. Het UWV kon dat doen omdat de publieke premie een zogeheten omslagpremie is. Dit is een premie die gebaseerd is op de verwachte uitkeringen in enig jaar. In dat systeem vindt reservevorming plaats. Door in te teren op reserves kon het UWV de publieke premie op sommige momenten te laag vaststellen waardoor het publieke bestel aantrekkelijker werd ten opzichte van de private markt.
Het UWV had in de beginperiode van Pemba nog een ander voordeel. Pemba was een nieuwe regeling. In de eerste jaren was de publieke premie laag omdat er nog weinig uitkeringslasten waren. Pas in de loop van een aantal jaren groeide deze premie tot het structurele niveau. Geheel anders lag dat bij de premie die verzekeraars berekenden. Deze premie is een zogeheten rentedekkingspremie is. De premie wordt op actuariële gronden vastgesteld en dient voor de (af)financiering van alle uitkeringslasten die in enig jaar zijn ingegaan. Door dit systeem lag de private premie al vanaf het begin op het structurele niveau. Verzekeraars zijn verplicht dit premiesysteem te hanteren. Van werkelijke concurrentie is daarom in de eerste jaren vanaf 1998 geen sprake geweest.
Bij de invoering van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) is door de invoering van de zogeheten ‘rentehobbelcompensatie’, aan deze ongelijkheid een einde gemaakt. De ‘rentehobbelcompensatie’ is een opslag op de publieke premie om ervoor te zorgen dat deze vergelijkbaar wordt met de private premie. De compensatie is jaarlijks aflopend totdat de publieke premie het structurele niveau heeft bereikt.
De publieke WGA-premie bestaat daarmee uit twee delen. De compensatie die door SZW wordt vastgesteld en de feitelijke WGA-premie die nog steeds door het UWV wordt vastgesteld. Nog steeds heeft het UWV de mogelijkheid om zijn concurrentiepositie te beïnvloeden via een lagere vaststelling van de WGA-premie. Ook bij de premievaststelling 2009 is te zien dat het UWV de premie iets lager heeft vastgesteld dan vooraf was gecalculeerd.
Al met al is het een merkwaardige situatie dat ondanks het beloofde level playing field, de publieke uitvoerder hét instrument heeft om de ‘aantrekkelijkheid’ van de publieke markt ten opzichte van de private markt te beïnvloeden. Het zou goed zijn als dit bij de evaluatie van de WGA, in 2009, aan de orde komt zodat bij een eventuele volgende ‘pemba’ wel sprake zal zijn van een volledig gelijk speelveld. De meest voor de hand liggende regeling waarbij dit zou kunnen spelen, is de WW. Het CDA heeft al voorstellen gedaan in die richting door te pleiten voor eigen risicodragen WW.