Nederland heeft een collectief pensioensysteem dat als een van de beste van de wereld wordt gezien. Aanpassingen om het stelsel beter toekomstbestendig te maken zijn onvermijdelijk. Nationale-Nederlanden is daarom blij dat het kabinet en sociale partners het eens zijn geworden over het Pensioenakkoord.
Verhoging pensioenleeftijd
Nederland vergrijst. De gemiddelde leeftijd van de bevolking stijgt als gevolg van verbetering van de volksgezondheid, de welvaart en de hygiëne. Er is daarbij sprake van elkaar versterkende ontwikkelingen; meer kinderen bereiken een volwassen leeftijd en mensen leven langer terwijl de groei van de bevolking afneemt doordat er minder kinderen worden geboren. Hierdoor zal de beroepsbevolking vanaf 2010 kleiner worden, terwijl het aantal 65-plussers snel toeneemt.
Er zijn straks minder mensen die werken en de premies voor de AOW moeten opbrengen voor meer mensen. Daarom moeten we straks allemaal langer werken. De afgesproken verhoging van de pensioenleeftijd (naar 66 jaar in 2020 en naar 67 jaar in 2025) past daarbij.
Aanvullende pensioenen
De premies voor de
aanvullende pensioenen zijn de afgelopen jaren sterk gestegen. Dit legt een
steeds groter beslag op de arbeidskosten van werkgevers en op het netto inkomen
van werknemers.
Om dit te ondervangen komen de risico’s van langer leven en ontwikkelingen op
de financiële markten bij de werknemers te liggen. Als er tegenvallers zijn kan
dat niet meer worden opgevangen met premieverhogingen, maar zullen de
opgebouwde aanspraken en pensioenuitkeringen moeten worden verlaagd. Sociale
partners hebben afgesproken dat dekkingstekorten of dekkingsoverschotten in een
periode van tien jaar weggewerkt worden. Opvallend is dat daarbij de bestaande
solvabiliteitsbuffers worden afgeschaft of sterk verlaagd. Het
Uitwerkingsmemorandum van 9 juni 2011 geeft op dit punt vier verschillende
varianten weer. Per bedrijfstakpensioenfonds of ondernemingspensioenfonds moet
bekeken worden welke variant men wil kiezen. Pensioenen worden dus onzeker,
maar de mate van onzekerheid hangt ook nog eens af van de keuze die het
pensioenfondsbestuur maakt.
Het is een goede zaak dat
nu een premiestabilisatie is afgesproken op basis van het in de afgelopen jaren
bereikte premieniveau. Nationale-Nederlanden is daarbij enigszins bezorgd over
de grote verschillen die kunnen ontstaan tussen bedrijfstakken en bedrijven.
Voor werknemers zal het nog moeilijker worden te begrijpen hoe hun
pensioenregeling in elkaar steekt en waarom die sterk afwijkt van die van hun
familieleden of kennissen. Bovendien kunnen er problemen ontstaan als
werknemers van baan veranderen en het in hun vorige baan opgebouwde pensioen
willen overdragen naar hun nieuwe pensioenfonds. Dit maakt het nog dringender
gewenst dat het kabinet snel komt met een oplossing van de problemen rond
waardeoverdracht bij pensioenen.
Pensioenverzekeringen
Het
Pensioenakkoord heeft betrekking op pensioenregelingen die worden uitgevoerd
door pensioenfondsen. Voor werkgevers en werknemers die hun pensioen hebben
ondergebracht bij een pensioenverzekeraar liggen de zaken anders.
Is er sprake van een beschikbare premieregeling (zoals in het Prestatie
Pensioen) dan ligt het langlevenrisico en het beleggingsrisico in de opbouwfase
(tot aan de pensioendatum) bij de werknemer. Via Life Cycle concepten kan hij
dat risico verminderen. Na de pensioendatum wordt een levenslange uitkering
aangekocht. Het bedrag van die uitkering is gegarandeerd. De verzekeraar draagt
het langlevenrisico en het beleggingsrisico. Een verlaging van ingegane
uitkeringen is dus niet aan de orde. Is er sprake van een
salaris/dienstjarenregeling (ook wel middelloonregeling of uitkeringsovereenkomst
genoemd) dan wordt het langlevenrisico en het beleggingsrisico, zowel in de
opbouwfase als in de uitkeringsfase, door Nationale-Nederlanden gedragen.
Opgebouwde aanspraken
Het is een wens
van sociale partners dat de pensioenenrechten die gepensioneerden en werkenden
in het verleden hebben opgebouwd ook on¬derdeel worden van de nieuwe
pensioenregelingen. Zij worden als het ware overgeheveld (het
Uitwerkingsmemorandum spreekt over het invaren van bestaande aanspraken). Op
dit punt liggen er allerlei juridische belemmeringen. Het kabinet, de sociale
partners en externe deskundigen zullen de verschillende aspecten daarvan
onderzoeken en zo spoedig mogelijk duidelijkheid verschaffen.
Pensioenaanspraken
die in het verleden bij verzekeraars zijn opgebouwd, zijn onvoorwaardelijk.
Verzekeraars hebben niet de mogelijkheid die opgebouwde rechten te verlagen op
basis van gestegen levensverwachting, lagere rentestand of tegenvallende
beleggingsopbrengsten. Ook een overheveling naar een nieuwe pensioenverzekering
waarin meer risico’s bij de deelnemer liggen, kan niet plaatsvinden zonder
instemming van de werknemer. Op dat punt wijken de regels voor verzekeraars
iets af van die voor pensioenfondsen. Nationale-Nederlanden beschouwt die
bescherming van opgebouwde rechten als een groot goed. Het doet recht aan het
basisprincipe van verzekeren: zekerheid bieden. Dit aspect zal ongetwijfeld
worden meegenomen in het overleg tussen kabinet, werkgevers, werknemers en
pensioenverzekeraars over de vraag in welke mate de afspraken uit het akkoord
doorvertaald kunnen worden naar het terrein van pensioenverzekeringen.
Hoe verder?
Het
Uitwerkingsmemorandum van 9 juni 2011 laat nog veel punten open. Minister Kamp
heeft al aangegeven dat hij nog moet onderzoeken welke aanpassingen in de
wetgeving nodig zijn om uitvoering van het akkoord mogelijk te maken. Daarbij
moet ook een toetsing plaatsvinden aan Europese verdragen en regels. Bovendien
moet er nog een achterbanraadpleging plaatsvinden bij de vakbonden. Totdat er
duidelijkheid is over de definitieve acceptatie van het Pensioenakkoord en
wijzigingen die in de wetgeving zullen worden aangebracht, kan nog geen
aanpassing van bestaande producten plaatsvinden en kunnen ook nog geen nieuw
type pensioenverzekeringen op de markt worden gebracht. Uiteraard volgt
Nationale-Nederlanden alle ontwikkelingen op de voet.