Achtergronden
Ondanks dat het huidige kabinet in het coalitieakkoord het voornemen heeft opgenomen om de WGA volledig privaat te laten uitvoeren, heeft SZW begin 2008 besloten om eerst een evaluatie te houden en pas daarna te beslissen. De STAR liet het kabinet op dat moment weten deze beslissing te betreuren en verwees naar het SER-advies (dat al dateert van 2002) waarin alle partijen overeenstemming hadden bereikt over privatisering van de WGA en op welke wijze dat kon plaatsvinden.
De tussenevaluatie van de WGA richt zich op de financieringssystematiek van de WGA en de werking van het hybride stelsel en de afwegingen en ervaringen van betrokken partijen (verzekeraars, UWV en werkgevers/werknemers) met dit stelsel. Onderzocht wordt welke activiteiten UWV, eigenrisicodragers en verzekeraars ondernemen met betrekking tot re-integratie, of verschillen in resultaat en efficiëntie zichtbaar en verklaarbaar zijn met betrekking tot instroom, uitkeringsduur en re-integratie. De opzet van deze evaluatie omvat dus niet alle onderdelen van de WIA, gelet op de algehele evaluatie van de WIA die voor 2010 gepland staat. Andere onderwerpen zoals de IVA, het Schattingsbesluit en de groep minder dan 35% arbeidsongeschikt komen aan de orde in de WIA-evaluatie.
Opvatting
Het is merkwaardig dat het kabinet eerst besluit tot privatisering van de WGA en vervolgens akkoord gaat met een evaluatie om te kunnen beslissen of de WGA privaat moet worden uitgevoerd dan wel dat het huidige hybride systeem moet worden voortgezet. Bij dit laatste moet dan wel een oplossing gevonden worden voor de knelpunten die een goede marktwerking in de weg staan.
Afgezien van de procedure heeft de markt bij ‘pemba-wao’
en de privatisering van de ZW ruimschoots bewezen dat privatisering leidt tot
een significant lager ziekteverzuim en lagere instroom in de
arbeidsongeschikheidsregelingen. Er is geen enkele reden om te veronderstellen
dat dit bij de privatisering van de WGA anders zal zijn. Ook in dat geval is er
immers een sterk financieel belang voor verzekeraars om werkgevers en
werknemers zoveel mogelijk te ondersteunen bij beperking van het beroep op de
WGA. Het financiële belang wordt nog sterker omdat steeds meer een koppeling wordt gelegd tussen de eerste 2 jaren van ziekte en de daaropvolgende WGA-periode. Het is evident dat het financiële belang het grootst is bij een volledig geprivaitiseerde WGA tot maximaal
het 65e jaar.
Er is nog een andere overweging die pleit voor privatisering
van de WGA: het huidige hybride stelsel leidt niet tot dynamische marktwerking
en is van nature instabiel. Dat komt door de fundamentele ongelijkheden tussen het publieke en private stelsel.
Privatisering van de WGA zou een (logische) keuze zijn voor een
structureel houdbaar systeem met de beste waarborgen om de arbeidsmogelijkheden
van uitgevallen werknemers zoveel mogelijk te benutten. Dat is niet alleen van
belang in een tijd van economische crisis maar ook in de periode dat de
arbeidsmarkt wee raantrekt.
Ten slotte biedt een private WGA de beste waarborgen dat het aanwezige arbeidspotentieel van arbeidsongeschikten in het licht van de toekomstige vergrijzing zo veel mogelijk wordt benut.