Op 19 juni 2009 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over door de Belastingdienst opgelegde conserverende aanslagen bij pensioen en lijfrente. Een twistpunt waarover in de fiscale praktijk al jaren onduidelijkheid bestaat. De Belastingdienst is daarbij door onze hoogste rechters principieel in het ongelijk gesteld waardoor een gat van honderden miljoenen EURO’s in de fiscale begroting werd geslagen.
De Tweede en Eerste Kamer hebben nog voor ze met zomerreces gingen in recordtijd (8 dagen) reparatiewetgeving aangenomen om het budgettaire gat dat door de Hoge Raaduitspraken was ontstaan te dichten.
Conserverende aanslagen worden door de Belastingdienst opgelegd bij belastingplichtigen die naar het buitenland emigreren en destijds in Nederland een belastingvoordeel hebben genoten voor de premies van pensioen of en/of lijfrente. Jaarlijks worden circa 12.000 conserverende aanslagen opgelegd.
Doel en effectiviteit
conserverende aanslag
Doel van de conserverende aanslag is dat Nederland bij
oneigenlijk gebruik(bijvoorbeeld afkoop) door de in het buitenland woonachtige
belastingplichtige het destijds in Nederland genoten belastingvoordeel kan
terugnemen door alsnog belasting te heffen.
De conserverende aanslag dient dus om de fiscale claim van Nederland in verband met een hier opgebouwd pensioen en/of lijfrente zoveel mogelijk te beschermen.
Voorwaarde voor invordering van de conserverende aanslag is wel dat dit oneigenlijk gebruik zich binnen 10 jaar na emigratie voordoet.
Wordt de conserverende aanslag ingevorderd dan heeft dit als fiscaal/financieel gevolg dat de pensioen- en/of lijfrenteaanspraken waarvoor destijds in Nederland fiscaal voordeel is genoten alsnog door Nederland worden belast. Belastingheffing vindt in dat geval plaats over de waarde in het economische verkeer van de indertijd gefaciliteerde aanspraken, verhoogd met een revisierente van 20%. In verreweg de meeste gevallen blijkt dat in het geheel geen sprake is van oneigenlijk gebruik.
Hoge Raaduitspraken
De Hoge Raaduitspraken van 19 juni 2009 betroffen de rechtmatigheid
van de conserverende aanslag onder voor invoering van de conserverende aanslag al
door Nederland gesloten belastingverdragen. Belastingverdragen die in de meeste
gevallen uitgaan van het in het internationale fiscale verkeer algemeen
aanvaarde principe dat alleen de staat waar iemand woonachtig is over de
pensioen- en/of lijfrenteaanspraak belasting mag heffen.
De Hoge Raad besliste dat het opleggen van deze aanslagen in
een dergelijke situatie in strijd is met de goede trouw die bij de uitleg en
toepassing van deze belastingverdragen door Nederland in acht moet worden genomen
en stelde daarmee de staatssecretaris van Financiën daarmee principieel in het ongelijk.
Reactie
staatssecretaris van Financiën
De bewindsman gaf direct na de Hoge Raaduitspraken te kennen
zich niet bij de uitkomst van deze uitspraken neer te leggen. En voegde vrijwel
meteen de daad bij het woord.
Al op 26 juni 2009 werd het wetsvoorstel “reparatie in verband met arresten van de Hoge Raad inzake pensioen- en lijfrenteaanspraken” bij de Tweede Kamer ingediend. De staatssecretaris maakte hierbij gebruik van de zogenoemde parlementaire spoedprocedure. Met als enig doel het wetsvoorstel voor het zomerreces van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer tot wet te kunnen verheffen. Voor een dergelijke werkwijze had de staatssecretaris alle reden. Niet alleen hadden de uitspraken van de Hoge Raad van 19 juni 2009 een fors gat in de Nederlandse fiscale wetgeving geslagen, maar ook de budgettaire gevolgen voor de Nederlandse schatkist - geschat op enkele honderden miljoenen Euro’s- maakten het zeer noodzakelijk de wetgeving rond de conserverende aanslag zo spoedig mogelijk te repareren. De staatsecretaris is in zijn opzet geslaagd: het wetsvoorstel reparatie in verband met de arresten van de Hoge Raad is op 8 juli 2009 door de Eerste Kamer aangenomen en op 16 juli 2009 in werking getreden, waarbij de wet voor een aantal onderdelen terugwerkt tot 29 juni 2009.
Gevolgen
reparatiewetgeving
De reparatiewetgeving
heeft tot gevolg dat indien zich een situatie voordoet waarover de Hoge Raad
zich op 19 juni 2009 heeft uitgesproken de door de Nederlandse Belastingdienst
opgelegde conserverende aanslag wordt gebaseerd op:
(1) de destijds in aftrek gebrachte lijfrentepremies;
(2) de bij toekenning vrijgestelde pensioenaanspraken en de destijds als eigen bijdrage op het brutoloon in mindering gebrachte bijdrage in de kosten van de pensioenregeling.
De nieuwe wetgeving heeft tot gevolg dat het criterium van de waarde in het economisch verkeer is vervangen door het “premiecriterium”, dat wil zeggen dat de conserverende aanslag wordt gebaseerd op de premies voor pensioen en/of lijfrente waarvoor destijds in Nederland fiscaal voordeel is genoten. Ook onder de nieuwe wetgeving wordt bij oneigenlijk gebruik door de betrokkene binnen 10 jaar na emigratie de conserverende aanslag ingevorderd.
Tot slot
Een vraag die nog beantwoord moet worden is of de oplossing
op basis van de reparatiewetgeving via de rechter kan worden aangevochten.
Daarvoor zijn echter weer fiscale procedures nodig die op zijn vroegst pas over
enkele jaren de Hoge Raad hebben bereikt.
De nabije toekomst zal ons dus moeten leren in hoeverre de kersverse reparatiewetgeving de toets der rechterlijke kritiek kan doorstaan.