Henri Ford zei ooit dat als hij zijn klanten had gevraagd wat ze wilden, ze snellere paarden hadden geantwoord. Op auto's waren ze niet gekomen. Mensen ontwikkelen hun toekomstvisie vooral vanuit hun bestaande referentiekader. Dat blijkt ook bij het Pensioenakkoord van de Stichting van de Arbeid. Als sociale partners iets meer afstand hadden genomen van de traditionele uitkeringsovereenkomsten waren ze wellicht op vernieuwende pensioenvormen gekomen. Neemt niet weg dat de totstandkoming van het akkoord een geweldige prestatie is.
Voor Europa is het akkoord zelfs uniek. Vrijwel overal in Europa zijn er massademonstraties tegen plannen van de regering om de pensioenleeftijd te verhogen. Zo is er in Frankrijk protest tegen het optrekken van de pensioenleeftijd naar 62 jaar, in Griekenland tegen de verhoging van 61,5 naar 65 jaar en werd in Spanje de regering gedwongen terug te komen op haar voorstel om de pensioenleeftijd tot 67 jaar te verhogen. Ondertussen bereiken sociale partners in Nederland een akkoord, waarin de pensioenleeftijd voortaan wordt gekoppeld aan de stijging van de gemiddelde levensverwachting vanaf 65 jaar. Dat getuigt van durf en verantwoordelijkheidsbesef.
Kabinetsplannen
Natuurlijk is dat “Pensioenakkoord Voorjaar 2010” van de Stichting van de Arbeid (STAR) ook niet zonder slag of stoot tot stand gekomen.
Direct nadat het kabinet Balkenende IV in maart 2009 het crisisakkoord presenteerde, waarin de verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 jaar was vastgelegd, beweerde FNV-voorzitter Agnes Jongerius doodleuk: 'De AOW-leeftijd gaat helemaal niet omhoog. Wij laten zien dat je ook anders kunt bezuinigen'. Sociale partners kregen inderdaad tot 1 oktober 2009 de tijd om via de SER alternatieven aan te dragen die evenveel ombuigingen zouden opleveren als het kabinetsplan. Van meet af aan was duidelijk dat dit overleg zou mislukken. Zodra die mislukking een feit was kwam Minister Donner met het plan om de AOW-leeftijd in twee stappen te verhogen: in. In 2020 naar 66 jaar, in 2025 naar 67 jaar. De pensioenrichtleeftijd voor de aanvullende pensioenen zou al in 2020 naar 67 jaar gaan.
Ook tegen deze plannen kwam de vakbeweging in verzet, maar kreeg weinig steun vanuit de Tweede Kamer. De val van het Kabinet Balkenende IV kwam daarom voor de vakbeweging als een geschenk uit de hemel. Het bood de mogelijkheid voor nieuw overleg over alternatieven. Ook de werkgeversorganisaties zagen hun kans schoon. In hun achterzak hadden zij het rapport van de Commissie Goudswaard, waarin staat dat het huidige Nederlandse pensioenstelsel moet worden aangepast om goed opgewassen te kunnen zijn tegen de gevolgen van de vergrijzing en de financiële onzekerheden. Zo vonden sociale partners elkaar in een poging hun belangrijkste punten te verwezenlijken via een uitgewerkt plan, dat het nieuwe kabinet naar hun mening moeilijk zou kunnen negeren.
Aanpassing AOW
Meest in het oog springende punt uit het Pensioenakkoord is de verhoging van de AOW-leeftijd. Sociale partners willen de AOW-leeftijd voortaan koppelen aan de levensverwachting. Ze doen dat door het gemiddelde aantal pensioenjaren van de generatie die in de periode 2000 tot en met 2009 AOW kreeg (de macro gemiddelde resterende levensverwachting vanaf 65 jaar) als referentieperiode te nemen. Vervolgens wordt om de 5 jaar bekeken of aanpassing nodig is. Die aanpassing gaat dan pas 10 jaar later in. Op basis van die systematiek vindt de eerste verhoging plaats per 1 januari 2020. Dan gaat de leeftijd van 65 naar 66 jaar. De volgende stap is in 2025. In dat jaar zal de AOW-leeftijd, zoals het er nu uitziet, stijgen naar 67 jaar.
Het blijft mogelijk om al op 65 jarige leeftijd AOW te ontvangen. De uitkering wordt dan levenslang gekort met 6,5% voor ieder jaar dat men eerder AOW krijgt dan de officiële pensioenleeftijd. Wie later AOW wil ontvangen dan de offciële AOW-leeftijd krijgt levenslang 6,5% meer voor elk jaar uitstel. Verder willen sociale partners dat de AOW-uitkering met ingang van 2011 wordt gekoppeld aan de ontwikkeling van de verdiende lonen. Nu is de AOW nog gekoppeld aan de stijging van de cao-lonen. Dit betekent dat de AOW in de toekomst harder zal stijgen dan nu het geval is. De extra kosten hiervan wil men opvangen door beperking van de specifieke ouderenkortingen in de belasting en het schrappen van de AOW tegemoetkoming. Bovendien wordt de franchise in de aanvullende pensioenenregelingen ook gekoppeld aan de ontwikkeling van de verdiende lonen. Daardoor zal de AOW in de toekomst een groter deel uitmaken van het totale pensioen dat iemand ontvangt. Dit is vooral gunstig voor de lagere inkomens.
Aanvullende pensioenen
Ook bij de aanvullende pensioenen willen sociale partners voorkomen dat de toenemende levensverwachting sluipenderwijs leidt tot een hogere pensioenambitie en stijgende premies. Helaas maken ze daarbij niet zo’n duidelijke keuze als bij de verhoging van de AOW-leeftijd. In het rapport van de Commissie Goudswaard worden drie verschillende varianten genoemd om de levensverwachting te incorporeren in de pensioenregeling. Het Pensioenakkoord selecteert er twee en laat het aan de onderhandelaars in de sectoren over welke methode men wil kiezen.
De eerste methode is die van de voorwaardelijke rekenleeftijd. Hierbij wordt de pensioenrekenleeftijd voor de pensioenopbouw met ingang van 1 januari 2011 gezet op 66 jaar, de AOW-leeftijd zoals die in 2020 zal gelden. In 2015 wordt de pensioenrekenleeftijd gesteld op de voor 2025 te verwachten AOW-leeftijd (van 67 jaar). Vervolgens wordt die pensioenrekenleeftijd om de vijf jaar herzien, op zelfde manier als de AOW-leeftijd. Wijzigingen in de pensioenrekenleeftijd raken niet alleen de nieuwe pensioenopbouw, maar werken terug tot 2011. Dit betekent dat alle vanaf 2011 op te bouwen pensioenrechten voortaan voorwaardelijk zijn en afhankelijk van de uiteindelijke pensioenrekenleeftijd.
De tweede methode is die van een vaste forfaitaire uitkeringsperiode. Dit wordt bereikt door voor alle generaties met ingang van 2011 te kiezen voor een vaste forfaitaire uitkeringsperiode (de gemiddelde uitkeringsperiode van de collectiviteit aan deelnemers aan een pensioenregeling). De vaste forfaitaire uitkeringsperiode wordt bepaald op basis van de structurele premieruimte die de afgelopen jaren beschikbaar was. Hierdoor worden alle generaties in kostentermen voortaan in de opbouw van rechten gelijk behandeld. Uit de stukken valt af te leiden dat daarbij wordt uitgegaan van een gemiddelde van 20 jaar. Een werknemer krijgt gemiddeld 20 jaar uitkering en het hangt van de levensverwachting in zijn sector af op welke leeftijd die uitkering ingaat. Dit kan betekenen dat de pensioenleeftijd per sector of pensioenfonds gaat verschillen.
Doordat het Pensioenakkoord geen duidelijke keuze maakt voor één methode voor koppeling van pensioenleeftijd aan de levensverwachting dreigt het gevaar dreigt dat in de toekomst twee soorten pensioensystemen naast elkaar komen te staan, die niet of nauwelijks met elkaar te verenigingen zijn. Hiervan zullen werknemers die van de ene sector naar de andere overstappen veel last krijgen. Het zal ook de politieke besluitvorming bemoeilijken, omdat de kans bestaat dat er in pensioenland een richtingenstrijd ontstaat. In de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw heeft ook zo’n richtingenstrijd bestaan tussen aanhangers van het dienstjarenbeginsel en aanhangers van het levensjarenbeginsel. Die richtingenstrijd blokkeerde decennialang iedere oplossing op pensioengebied. Bovendien is door veel deskundigen al aangevoerd dat de methode van de forfaitaire uitkeringsperiode niet of nauwelijks uitvoerbaar is. Het is te hopen dat sociale partners zich hierop nog eens bezinnen en tot een eenduidige keuze komen.
Shockproof contract
Sociale partners willen niet alleen aanpassing van de pensioenleeftijd aan de stijgende levensverwachting, maar ook modernisering van alle pensioencontracten. De pensioenverplichtingen moeten mee ademen met de fluctuaties op de financiële markten. In een bijlage bij het pensioenakkoord wordt daarvoor de simpele stelregel geïntroduceerd: Pensioenambitie = betaalde premie + behaalde rendementen. Het moderne pensioencontract wordt dat van de voorwaardelijke (flexibele) reële pensioenverplichtingen. Sociale partners willen dat begin 2012 alle pensioenregelingen zijn aangepast op basis van deze systematiek en gemoderniseerd.
Helaas maken ze geen duidelijke keuze voor één bepaalde uitwerking. Ze geven twee varianten voor een mogelijke invulling. Het lijkt alsof ook hier in hun achterban sprake is van een richtingenstrijd, waarbinnen de bestuurders geen partij hebben durven of willen kiezen. De twee varianten die worden voorgesteld zijn:
· het zg. ‘combicontract’, waarbij er een knip is tussen een deel met een lagere opbouw maar een grote mate van (nominale) zekerheid en een deel dat volledig resultaatafhankelijk is (indexatie op basis van rendement c.q. winstdeling). Hierbij wordt de mogelijkheid opengelaten voor een ingrijpende wijziging van het beleggingsbeleid. Zo wordt de suggestie gedaan dat voor het deel met nominale zekerheid een (collectieve) beleggingsmix kan worden gekozen met weinig risico, terwijl voor het resultaatafhankelijke deel werknemers individueel zouden kunnen kiezen uit verschillende beleggingsprofielen of fondsen.
· het volkomen (‘complete’) flexibele (reële) contract, waarbij de verplichtingen geheel flexibel zijn en afhankelijk van veranderingen op de financiële markten. Er wordt daarbij een ondergrens gedefinieerd voor de reële dekkingsgraad. Dreigt een fonds onder die dekkingsgraad te komen, dan worden de rechten van alle deelnemers rechtstreeks gekort zodat niet onder die minimum dekkingsgraad wordt gedoken. Ook hierbij wordt de mogelijkheid geopperd van individuele keuzemogelijkheden, zodat het dragen van het beleggingsrisico voor deelnemers gepaard kan gaan met meer invloed op de mate waarin men risico wil lopen.
Tijdpad
In het Pensioenakkoord is vastgelegd dat sociale partners in de tweede helft van 2010 met elkaar en met de overheid overleggen over de verdere uitwerking van hun akkoord en de noodzakelijk aanpassingen in de wet-en regelgeving. Ze zetten daarbij nogal wat druk op de ketel, want ze verwachten dat de fiscale wetgeving al per 1 januari 2011 is aangepast en in de loop van 2011 ook de aanpassingen in de Pensioenwet en het FTK tot stand komen. Dat lijkt een bijna onmogelijke opgave gezien de langdurige kabinetsformatie en de tijd die doorgaans gemoeid is met het opstellen en behandelen van wetsvoorstellen. Bovendien hebben sociale partners geen duidelijke keuze gemaakt van de wijze waarop de pensioenleeftijd moet worden gekoppeld aan de stijgende levensverwachting en de vormgeving van de gemoderniseerde pensioencontracten. Die keuze zullen tot eerst gemaakt moeten worden willen de ambtenaren kunnen beginnen met het schrijven van wetteksten.
Einde van DB
Het Pensioenakkoord heeft alom bewondering geoogst. Ook de achterban van de vakbeweging heeft het inmiddels geaccepteerd. Dat is een hele overwinning voor de vakbondsbestuurders die met dit akkoord hun nek hebben uitgestoken. Het is namelijk niet zomaar een akkoord, maar een historisch akkoord. Het markeert het einde van het tijdperk van de defined benefitregelingen. Voortaan is het pensioen niet meer gebaseerd op een percentage van het verdiende loon en gegarandeerd, maar volledig afhankelijk van de betaalde premie en behaalde rendementen op beleggingen. De uitwerking lijkt daarbij heel sterk op het concept dat in de pensioenwereld bekend staat als collective defined contribution (CDC). Het nadeel van het CDC model is dat de werknemers denken dat ze recht hebben op een gegarandeerde uitkering (uitkeringsovereenkomst), terwijl feitelijk sprake is van een beschikbare premieregeling (premieovereenkomst). De pensioenpremie voor de werkgever is immers gemaximeerd, zodat de risico’s ten aanzien van rendement en levensverwachting bij de deelnemers liggen. Dit kan leiden tot onduidelijkheden en communicatiestoringen, die niet passen in een tijd waarin transparantie hoog in het vaandel staat. Daar komt bij dat mondige werknemers, die zien dat zij een beleggingsrisico lopen, ook zelf invloed willen kunnen uitoefenen op die beleggingen. Sociale partners lijken zich daarvan bewust, want in het Pensioenakkoord wordt uitdrukkelijk ruimte geboden voor keuzemogelijkheden op beleggingsgebied door individuele deelnemers. Het blijft echter allemaal binnen hun belevingswereld van collectieve pensioenen op basis van defined benefit. De stap naar defined contribution was te ver. Aan de ene kant is dat begrijpelijk, omdat binnen hun achterbannen defined contribution vooral wordt geassocieerd met pensioendrama’s in de VS. Aan de andere kant is het wel jammer. Als sociale partners iets meer afstand hadden genomen, zouden ze wellicht op andere pensioenvormen zijn gekomen, die niet de nadelen hebben van de defined contribution contracten die ze altijd als afschrikwekkend voorbeeld hanteren, maar wel meer recht doen aan het concept dat zij zelf beschrijven als een waarheid als een koe, namelijk: pensioen is niet meer dan de som van betaalde premie en behaalde beleggingsresultaten. Waarschijnlijk duurt het nu nog eene paar jaar voor we nieuwe pensioenconcepten op de markt tot wasdom zien komen. Maar goed, tussen het eerste concept van de auto met verbrandingsmotor en de productie van de T Ford voor de massa zat ook een hele tijd.
Hasko van Dalen/ Directeur Beleidsontwikkeling Pensioenen Nationale-Nederlanden, voor PensioenAdvies