In juni van dit jaar hebben sociale partners in de Stichting van de Arbeid (StAR) een Pensioenakkoord gesloten. Nationale-Nederlanden is verheugd dat sociale partners een akkoord hebben bereikt. Daarmee wordt langdurige sociale onrust rond de pensioenen voorkomen. Jammer is dat het akkoord nogal wat losse eindjes bevat en sommige voorstellen moeilijk uitvoerbaar lijken.
1. Aanpassingen binnen de AOW
Verhoging AOW-leeftijd
De sociale partners willen de AOW-leeftijd voortaan koppelen aan de levensverwachting. Ze doen dat door het gemiddelde aantal pensioenjaren van de generatie die in de periode 2000 tot en met 2009 AOW ontving, als referentie te nemen. Vervolgens wordt om de vijf jaar bekeken of aanpassing nodig is. Die aanpassing gaat tien jaar later in. Op basis van deze systematiek vindt de eerste verhoging plaats per 1 januari 2020. Dan gaat de leeftijd van 65 naar 66 jaar. De volgende stap is in 2025. In dat jaar zal de AOW-leeftijd stijgen naar 67 jaar.
Aanpassing AOW-uitkering
Daarnaast stellen de sociale partners voor om de AOW-uitkering met ingang van 2011 te koppelen aan de ontwikkeling van de verdiende lonen. Nu is de AOW nog gekoppeld aan de stijging van de cao-lonen. Het gevolg is dat de AOW in de toekomst harder zal stijgen dan nu het geval is. In de toekomst zal de AOW daarom een groter deel uitmaken van het totale pensioen dat iemand ontvangt, wat vooral gunstig is voor mensen met weinig aanvullend pensioen.
Flexibele AOW
Ook in de toekomst blijft het mogelijk om vanaf 65 jaar AOW te ontvangen. De AOW wordt gekort met 6,5% voor ieder jaar dat men eerder AOW ontvangt dan de officiële pensioenleeftijd. Die korting geldt de rest van het leven. Voorwaarde is wel dat men voldoende AOW plus aanvullend pensioen heeft, en tijdens de pensioenperiode geen beroep hoeft te doen op bijstand. Wie later AOW wil ontvangen dan met 67 jaar krijgt 6,5% extra, de rest van het leven. Uiterlijk bij 70 jaar moet de AOW ingaan.
Wat vindt Nationale-Nederlanden hiervan?
Een verhoging van de AOW-leeftijd lijkt onontkoombaar. Het aantal ouderen neemt steeds sterker toe en we leven langer. Daartegenover staat dat er steeds minder kinderen worden geboren waardoor het aantal werkenden, dat de AOW-premie moet betalen, verder afneemt. Ook het vorige kabinet had besloten de AOW-leeftijd in twee stappen te verhogen: in 2020 naar 66 jaar, in 2025 naar 67 jaar. Nieuw is de koppeling van de AOW aan de verdiende lonen. Het is de vraag of dat betaalbaar is nu het nieuwe kabinet staat voor de noodzaak van drastische bezuinigingen om de staatsschuld weer op orde te krijgen.
2. Verhoging pensioenleeftijd in aanvullende pensioenen
Ook bij de aanvullende pensioenen willen sociale partners de pensioenleeftijd koppelen aan de levensverwachting. Het Pensioenakkoord noemt hiervoor twee methodes. Bij de eerste methode wordt vanaf 1 januari 2011 al rekening gehouden met een pensioenleeftijd van 66 jaar. In de tweede methode wordt uitgegaan van gemiddeld 20 jaar uitkering, en hangt de leeftijd waarop het pensioen ingaat af van de levensverwachting. Dit kan betekenen dat de pensioenleeftijd per sector of pensioenfonds gaat verschillen. De sociale partners laten het aan de onderhandelaars in de sectoren over welke methode men wil kiezen.
Wat vindt Nationale-Nederlanden hiervan?
Doordat het Pensioenakkoord geen duidelijke keuze maakt voor één methode voor koppeling van pensioenleeftijd aan de levensverwachting dreigt het gevaar dat in de toekomst twee soorten pensioensystemen naast elkaar komen te staan, die niet of nauwelijks met elkaar te verenigen zijn. Hiervan zullen werknemers die van de ene sector naar de andere overstappen veel last krijgen. Het zal ook de politieke besluitvorming bemoeilijken, omdat de kans bestaat dat er in pensioenland een richtingenstrijd ontstaat. Het is te hopen dat sociale partners zich hierop nog eens bezinnen en tot een eenduidige keuze komen.
3. Modernisering pensioencontracten
Sociale partners streven ook naar modernisering van alle pensioencontracten. De pensioenverplichtingen moeten 'mee-ademen' met de fluctuaties op de financiële markten. Daarvoor wordt de formule gehanteerd: pensioenambitie = betaalde pensioenpremie + behaalde rendementen. Sociale partners willen dat begin 2012 alle pensioenregelingen aan deze systematiek zijn aangepast.
Wat vindt Nationale-Nederlanden hiervan?
De systematiek lijkt sterk op het zogenaamde collective defined contribution (CDC). De pensioenpremie voor de werkgever is immers gemaximeerd, waardoor de risico’s ten aanzien van rendement en levensverwachting bij de deelnemers komen te liggen. Een risico van dit CDC model is dat de werknemers denken dat ze recht hebben op een gegarandeerde uitkering (uitkeringsovereenkomst), terwijl feitelijk sprake is van een beschikbare premieregeling (premieovereenkomst).
Wat opvallend ontbreekt in het Pensioenakkoord is de zogenaamde 'life cycle'-benadering. Hierbij wordt, naarmate de pensioendatum nadert, een steeds groter deel van de portefeuille van de deelnemer in obligaties en beschermingsfondsen belegd. Dit verkleint de kans op waardevermindering vlak voor de pensioendatum.
4. Tijdpad
In het Pensioenakkoord staat dat sociale partners in de tweede helft van 2010 met
de overheid overleggen over de verdere uitwerking van hun akkoord en de noodzakelijk aanpassingen in de wet- en regelgeving. Ze verwachten dat de fiscale wetgeving al per 1 januari 2011 is aangepast en in de loop van 2011 ook de aanpassingen in de Pensioenwet tot stand komen.
Wat vindt Nationale-Nederlanden hiervan?
Zolang er geen nieuw kabinet is, kan niet worden begonnen met de aanpassing van de wetgeving. Het zal daarom niet lukken om de wetsaanpassingen al in 2011 te realiseren. Bovendien is er nog veel onzekerheid, omdat sociale partners geen duidelijke keuze hebben gemaakt voor de wijze waarop de aanvullendpensioenleeftijd moet worden gekoppeld aan de stijgende levensverwachting en de vormgeving van de gemoderniseerde pensioencontracten. Verder is het nog maar de vraag of alle varianten in de praktijk ook uitvoerbaar zijn. Nationale-Nederlanden plaatst, net als veel branchegenoten, vraagtekens bij de korte doorlooptijd en bij de complexiteit van de voorgestelde oplossingen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het voorstel om de ingangsdatum van het pensioen mee te laten bewegen met de verwachte levensverwachting. Hoe complexer de oplossing, hoe hoger bovendien de kosten zullen zijn die gepaard gaan met de invoering ervan.