Eindleeftijd van uw arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV)
Mark Zoon
Er zijn bij het aangaan van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) veel factoren die van invloed zijn op de premie. Zie ook het artikel "
Hoe voorkom ik dat ik teveel betaal voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV)?".
De eindleeftijd is niet alleen een sterke premiebepalende factor, maar is ook een erg belangrijk onderdeel van de verzekeringsdekking. De eindleeftijd kan in principe vrij worden gekozen, de meest gangbare eindleeftijden zijn: 55, 60, 62 en 65 jaar (tussenliggende leeftijden zijn vaak ook mogelijk).
Voor enkele beroepen hebben verzekeraars, gezien het verhoogde risico op arbeidsongeschiktheid en de mogelijkheden bij revalidering, bepaald dat er een maximale eindleeftijd van kracht is. Dit is van kracht bij beroepen waarin zware lichamelijke arbeid wordt verricht.
Welke eindleeftijd is voor mij de beste keuze?
Het beste uitgangspunt is om de eindleeftijd aan te laten sluiten bij de ingang van de pensioenrechten, dat is dus vaak 65 jaar. Veel ondernemers gaan er bij de start van de onderneming van uit dat zij enkele jaren eerder stoppen. Het bedrijf fungeert hierbij vaak als "onderpand". Dat enkele jaren later, of in het ergste geval enkele jaren voor de geplande pensioendatum, sprake kan zijn van wijzigingen in wetgeving, economische omstandigheden en/of de persoonlijke situatie kan bij voorbaat niet ingeschat worden.
Voor uitbreiden van de verzekeringsdekking, waaronder het verzekeren van een hogere eindleeftijd, zijn medische waarborgen vereist. Op hogere leeftijd of na een eventuele arbeidsongeschiktheid is het niet altijd meer mogelijk om de eindleeftijd te verhogen naar bv. 65 jaar (of alleen met een premieopslag en/of beperkende bepaling).
Het is daarom aan te bevelen om te starten op een hoge eindleeftijd. Naarmate er meer duidelijkheid is over opgebouwd kapitaal, pensioenrechten en mogelijkheden om eerder te stoppen met werken, kan de verzekeringsdekking worden gewijzigd naar een lagere eindleeftijd.
De premie is door vele factoren te beïnvloeden, een hogere eigen risicotermijn of een lager indexeringspercentage geven bij een langdurige arbeidsongeschiktheid een geringere impact dan een (te) lage eindleeftijd.
Na een eventuele arbeidsongeschiktheid blijkt dat een gekozen eindleeftijd van grote invloed kan zijn. Bij langdurige arbeidsongeschiktheid is er geen mogelijkheid om tussentijds de eindleeftijd te verlengen. Als dan zou blijken dat de gekozen eindleeftijd te beperkt is ontstaat er een niet gewenst probleem. Het hiaat tussen de einddatum van de uitkering van de AOV en de ingangsdatum van de pensioenrechten moet worden ingevuld. Op welke wijze dat in de praktijk moet plaatsvinden is niet altijd duidelijk, het zou erg vervelend zijn als een sociale uitkering dat hiaat op zou moeten vullen. Na vele jaren van hard werken en genieten van een verdiend inkomen kan dat een forse stap achteruit betekenen.
Daarom nogmaals de aanbeveling om bij aanvang te kiezen voor een hogere eindleeftijd, een tussentijdse aanpassing naar een lagere eindleeftijd is altijd mogelijk. Een tussentijdse verhoging van de eindleeftijd is, gezien de vereiste medische waarborgen, helaas niet altijd mogelijk.