De financiële gevolgen van een pensioenregeling die niet voldoet aan de fiscale vereisten(een zogenoemde ‘onzuivere’ pensioenregeling) zijn niet mals: progressieve belastingheffing over de economische waarde van de pensioenaanspraak(max.52%) Eventueel nog te vermeerderen met een boete van (maximaal) 100% en een revisierente van 20%.
Het mag duidelijk zijn dat niemand een dergelijk risico wil lopen.
Maar: het bestaan van dit afbreukrisico mag toch ook geen beletsel zijn om een pensioenregeling in te voeren?
Tegen deze achtergrond is het raadzaam om bij reële twijfel aan de fiscale aanvaardbaarheid van een in te voeren pensioenregeling of een regelingswijziging deze voor invoering ter beoordeling (lees: goedkeuring) aan de Belastingdienst (inspecteur loonbelasting) voor te leggen.
Indien het verzoek tot goedkeuring leidt tot een afwijzing van de Belastingdienst is het mogelijk daartegen bezwaar aan te tekenen en in hoger beroep te gaan bij gerechtshof en in laatste instantie de Hoge Raad.
In het geval dat na bezwaar en eventueel beroep komt vast te staan dat de (inmiddels ingevoerde) pensioenregeling of regelingswijziging toch als onzuiver wordt aangemerkt moet de pensioenregeling c.q. regelingswijziging worden ‘gecorrigeerd’. Dit geschiedt op grond van een wettelijk veronderstelde glijclausule zonder financiële en fiscale sancties!
Deze glijclausule is verankerd in artikel 19c van de Wet op de loonbelasting 1964.
Uit deze bepaling valt ook op te maken dat de glijclausule
een breed toepassingsbereik heeft,maar niet van toepassing is op de
pensioenregeling van de geheel of gedeeltelijk eigen beheer voerende
directeur-grootaandeelhouder(DGA). De laatste geniet daardoor minder fiscale
bescherming dan de volledig verzekerde DGA.