Weten waar je aan toe bent
19 mei 2012
Geef waardering


Tags
  • MKB & Personeel
5stars

Bancaire lijfrenteuitkeringen aan een buitenlandse begunstigde: hoe zit het?

Peter Kwekel

Het op 1 januari 2008 ingevoerde bancair lijfrentesparen is niet alleen een typisch Nederlands fenomeen, maar ook een fenomeen met grensoverschrijdende (fiscale) gevolgen.

Vanuit grensoverschrijdend perspectief is de (logische)vraag: wat zijn de gevolgen wanneer de bancaire lijfrente-uitkeringen vanuit Nederland worden verricht aan iemand die in het buitenland woont?

Functie belastingverdrag

Uit de fiscale behandeling die in een grensoverschrijdende situatie op de bancaire lijfrenteuitkering van toepassing is wordt duidelijk dat het al dan niet bestaan van een met Nederland gesloten belastingverdrag in dit specifieke traject een niet weg te denken rol vervult. Dit laatste blijkt uit het volgende voor een goed begrip gesimplificeerde voorbeeld:

Stel, een in Spanje wonende begunstigde ontvangt op grond van een indertijd in Nederland gesloten bancaire lijfrente een jaarlijkse uitkering van € 100.000, -. De gerechtigde heeft hiervoor tijdens de opbouwfase fiscaal voordeel in Nederland genoten. Nederland belast deze uitkering als ‘bronstaat’, dat wil zeggen het land waar de bancaire lijfrenteuitkering is opgebouwd. En wel tegen het hier te lande geldend toptarief van 52%.

Spanje heft over dezelfde uitkering in haar hoedanigheid van woonstaat tegen haar toptarief van 43%.

Resultaat: de betrokkene houdt slechts 5% van deze uitkering over!

Een dergelijk in financieel opzicht dramatisch resultaat kan (gelukkig) op relatief eenvoudige wijze worden vermeden. En wel indien op de uitkeringssituatie een belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting van toepassing is. Een dergelijk verdrag wijst de heffing over een bepaalde inkomstenbron toe aan een van de verdragspartners. Dubbele belasting wordt voorkomen omdat de andere verdragspartner afziet van heffing over deze inkomstenbron.

In het hiervoor gepresenteerde voorbeeld zal het niet tot dubbele belastingheffing over de bancaire lijfrenteuitkering komen omdat Nederland een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting met Spanje heeft gesloten.

Dit verdrag maakt deel uit van het zeer omvangrijke verdragennetwerk dat Nederland met circa 90 landen heeft gesloten om dubbele belasting te voorkomen.

 

Kanttekening

Bij het voorgaande past echter een belangrijke kanttekening.

Ondanks de fiscaalrechtelijke gelijkstelling van een bancaire lijfrente met een lijfrente met verzekeringskarakter blijft in civielrechtelijke zin echter sprake van een spaarrekening of een belegging, waarvoor specifieke verdragsartikelen gelden.

Aangezien het bancaire lijfrentesparen, zoals eerder gezegd, een typisch Nederlands fenomeen is en is ingevoerd onder reeds door Nederland gesloten belastingverdragen staat het niet op voorhand vast dat een verdragspartner de Nederlandse verdragsinterpretatie van ‘lijfrente’ automatisch zal volgen.

 

Nederlandse verdragsinterpretatie

De Nederlandse verdragsinterpretatie van ‘lijfrente’ blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Wet banksparen. Uit deze parlementaire geschiedenis blijkt dat Nederland de verdragstoepassing op een bancaire lijfrenteuitkering zodanig uitlegt dat hierop het specifieke lijfrenteartikel van het belastingverdrag van toepassing is. Fiscaal gevolg die uit deze interpretatie voortvloeit: woonstaatheffing.

Uit de standaardredactie van dit lijfrenteartikel blijkt echter dat het betrekking heeft op een lijfrente met een verzekeringskarakter. Dit laatste element ontbreekt uit de aard der zaak bij een bancaire lijfrente.

Indien het door Nederland gesloten belastingverdrag niet voorziet in een specifiek lijfrente-artikel dan valt de bancaire lijfrente-uitkering onder het zogenoemde saldo- of restartikel van het verdrag. Met opnieuw als resultaat: woonstaatheffing.

 

Verschil in uitleg begrip ‘bancaire lijfrente’

Een verschillende uitleg door Nederland en haar verdragspartner over de verdragstoepassing op de bancaire lijfrente zal echter zelden tot dubbele belastingheffing leiden.

Hieraan liggen de volgende redenen ten grondslag:

(1)vanuit de Nederlandse optiek is het heffingsrecht over de bancaire lijfrente vrijwel altijd toegewezen aan de andere verdragspartner (de woonstaat);

(2) Nederland kan eenzijdig naar een passende oplossing zoeken, bijvoorbeeld door af te zien van heffing;

(3) Nederland kan op basis van de onderlinge overlegprocedure waarin het belastingverdrag ‘standaard’ voorziet met haar verdragspartner naar een passende oplossing zoeken om dubbele heffing te voorkomen.

Het voorgaande gaat over de al door Nederland gesloten belastingverdragen.

Een andere vraag is hoe het staat het met de verdragstoepassing op de bancaire lijfrente onder toekomstig door Nederland te sluiten belastingverdragen.

In dit verband is het goed om te weten dat Nederland op 11 februari 2011 een uitspraak heeft gedaan ten aanzien van de verdragstoepassing op bancaire lijfrente-uitkeringen onder nog door Nederland te sluiten belastingverdragen. Dit blijkt uit de notitie Nederlands Fiscaal Verdragsbeleid 2011.                                   Uit deze notitie komt naar voren dat Nederland er ten aanzien van de verdragsuitleg van de bancaire lijfrente bij verdragsonderhandelingen naar zal streven het begrip lijfrente uit te breiden en te definiëren conform artikel 1.7, lid 1, Wet IB 2001. Waardoor ook de bancaire lijfrente onder het specifieke lijfrenteartikel van het belastingverdrag komt te vallen.

 

Conclusie

Hieruit blijkt nog eens des te meer dat het Nederlandse verdragsbeleid zich ten aanzien van bancaire lijfrente-uitkeringen richt op woonstaatheffing.

Wil je een reactie plaatsen? Bevestig dan hier eenmalig je inlog. Inloggen