Nu het niet gelukt is om binnen de SER tot een gelijkwaardig alternatief te komen voor verhoging van de AOW-leeftijd, ligt de bal weer bij het kabinet. De vraag is of het kabinet het oorspronkelijke plan volgt of dat het bereid is om te luisteren naar de door de PvdA gewenste ‘verzachting’ .Inmiddels begint hierover duidelijkheid te ontstaan.
Zoals gemeld door het FD van vandaag, heeft de PvdA geëist dat mensen die al op jonge leeftijd met werken zijn begonnen, ook onder de nieuwe AOW-regels, op hun 65e mogen stoppen met werken. Hun AOW wordt dan wel met 8% per jaar gekort. Waarschijnlijk zal het CDA meegaan in deze eis. De nadere details moeten nog worden uitgewerkt.
Uit de berichtgeving blijkt dat het kabinet het eens is de hoofdlijnen. Naar verwachting is er overeenstemming om de AOW-leeftijd in 2020 in een keer te verhogen tot 66 jaar. Hoe de volgende stap tot 67 jaar moet worden ingevuld is nog niet bekend. Uitvoeringstechnisch gezien zou voor Pensioenuitvoerders (zoals Nationale-Nederlanden voor zowel ouderdoms- als arbeidsongeschiktheidspensioenen) verhoging tot 67 jaar in een stap, genoemd wordt 2026, uiteraard de voorkeur genieten.
Waarschijnlijk is men het ook eens over het ontzien van de zogeheten ‘zware beroepen’. Hoe dit exact wordt ingevuld moet blijken uit het binnenkort te verwachten voorstel van het kabinet. Daarnaaast vallen degenen die volgend jaar ouder zijn dan 55 jaar niet onder de nieuwe AOW-regels en krijgen degenen die 40 of 45 jaar hebben gewerkt, de kans om eerder te stoppen met werken. Daarbij wordt echter wel, zoals hiervoor vermeld, een korting op de AOW-uitkering toegepast.
Voor pensioenuitvoerders is in verband met aanvullende ouderdomspensioenen van belang, dat de pensioenleeftijd opschuift met de AOW-leeftijd. Degenen die straks eerder stoppen met werken krijgen dus niet alleen te maken met een korting op de AOW-uitkering, maar ook met een periode van 2 jaar waarover geen aanvullend pensioen wordt betaald. De vraag hoe dit kan worden gerepareerd, en wie daarvoor de kosten betaalt, zal straks de nodige spanning opleveren in het CAO-overleg tussen werkgevers en werknemers.
Voor inkomensverzekeraars is van belang dat niet alleen de pensioengrens opschuift maar ook de grens voor de werknemersverzekeringen. Dat heeft onder meer behoorlijke administratieve en premietechnische consequenties voor inkomensverzekeringen.