Het bijwonen van Prinsjesdag op het Binnenhof is alleen voor kamerleden, ministers, hoge ambtenaren en speciale genodigden weggelegd. Je krijgt daarvoor een fraaie toegangskaart op geschept papier met je naam in gekalligrafeerde letters en een goud op snee gedrukt kroontje.
Ook ik ontving zo’n mooie kaart. Wat ik alleen vergat, was dat alle kamerleden zich ruimschoots van te voren verzamelen in de gebouwen van de Eerste en Tweede kamer, de genodigden geacht worden minstens twee uur van tevoren aanwezig te zijn en alleen echte hoogwaardigheidsbekleders in hun auto met chauffeur tot het Binnenhof worden toegelaten. U begrijpt het al…. Ik was te laat. Gelukkig niet voor de opening zelf, maar wel om nog op normale wijze het Binnenhof in te kunnen gaan.
Toen ik mij met mijn entreekaart op de Kneuterdijk vervoegde, stond de erehaag met soldaten al keurig in het gelid. Ik moest praten als brugman om alsnog doorgelaten te kunnen worden. Het resultaat was dat ik in mijn eentje – tussen de erehaag door -over het Buitenhof liep. Langs de kant stonden vele mensen met verbaasde blik te kijken naar dat zich voort haastende mannetje. Ik hoorde af en toe wat gefluister waaruit ik kon opmaken dat er hevig gespeculeerd werd wie ik zou zijn en of men mij nou recent op TV had gezien. Het Binnenhof bereikte ik enigszins buiten adem, maar nog net voordat de koets onder de poort door kwam.
Tijdens het uitspreken van de troonrede heb ik zitten uithijgen. Wat de Majesteit precies heeft gezegd, kon ik mij ook niet meer herinneren door alle opwinding. Uiteindelijk heb ik dus net als iedere andere burger ’s avonds in de krant de troonrede moeten lezen.