Toen ik nog ambtenaar was had ik na Prinsjesdag altijd een vaste taak. Ik mocht het departement vertegenwoordigen tijdens de algemene politieke beschouwingen. Aan de ene kant een hele eer, aan de andere kant een hele zit. Urenlang stellen de Kamerleden vragen aan de Minister-President. Grofweg kan je al die vragen indelen in een paar categorieën: vragen naar de bekende weg, vragen om informatie die makkelijk te vinden is, goede vragen, slimme vragen en onbegrijpelijke vragen. Zeker voor die laatste categorie gaat het Nederlandse spreekwoord op: Een gek kan meer vragen dan tien wijzen kunnen beantwoorden.
Daarom zit er ieder jaar een hele batterij ambtenaren klaar om al die vragen te beantwoorden. Elk departement stuurt een aantal ambtenaren naar de Tweede Kamer om het debat live bij te wonen. Op alle departementen zitten daarnaast nog de nodige ambtenaren achter de tv klaar om antwoorden te bedenken op de vragen die de Kamerleden stellen. Die ambtenaren zijn onmisbaar. De Minister-President kan onmogelijk zelf alle antwoorden weten. De Prinsjesdag stukken worden ook niet geschreven door hemzelf en zijn ministers. In de praktijk zijn het de ambtenaren die deze stukken schrijven. Dus zijn het ook de ambtenaren die zijn antwoorden voorbereiden. Het grootste genot beleeft zo’n ambtenaar als er een kamerlid vragen stelt over een tekst die hij heeft geschreven. Al is het zo dat in de ambtelijke molens aan elke tekst door verschillende ambtenaren wordt gesleuteld en het uiteindelijke resultaat nauwelijks meer lijkt op de oorspronkelijke pennenvrucht. Soms is dan ook de verwarring te zien op het gezicht van de ambtenaren, als hun uiteindelijke tekst voor Kamerleden abacadabra blijkt te zijn. Ambtenaren zijn ook goed in kromme zinnen en dubbele ontkenningen. Kamerleden krijgen daar kromme tenen van. Zo af en toe wordt zo’n zin met enige hoon door een Kamerlid voorgelezen.
Precair wordt het als de tekst overduidelijk verraadt dat er getracht is om onverenigbare standpunten te verbloemen met wollig taakgebruik. Dan komen de stekelige vragen. Vragen die haarfijn aangeven dat het Kamerlid de controverse heeft doorzien, ondanks de schitterende proza waarin het is verpakt. Je ziet de ambtenaren dan zweten om een antwoord te maken dat zo slim in elkaar steekt, dat de controversie niet alsnog naar bovenkomt.
De Minister-President moet die antwoorden daarna voorlezen, maar kan ze nooit allemaal behandelen. Er moet dus worden geselecteerd. De belangrijkste vragen doet de Minister-President mondeling, de rest gaat schriftelijk naar de Tweede Kamer. Natuurlijk vindt iedere ambtenaar zijn eigen antwoord het belangrijkste. Dus is er ieder jaar weer een heel gevecht welke antwoorden mondeling worden behandeld en welke schriftelijk. Wie in die schriftelijke ronde belandt heeft eigenlijk een nederlaag geleden.
Soms is dat echter niet zo erg. Er zijn vragen waarvan je als ambtenaar liever verlost bent. Daarvoor heeft een goede ambtenaar “Kir-antwoorden” in voorraad. De afkorting “Kir” staat voor kluitje in het riet. U begrijpt dus wat voor antwoorden dat zijn. Soms kom je ook daarmee niet weg. Ik herinner mij dat een Kamerlid naar aanleiding van een passage over het emancipatiebeleid de vraag stelde: “Waarvan moet de vrouw anno 1985 worden bevrijd?”. Ga daar maar eens aan staan. Ik heb na lang peinzen een uiterst kort, maar krachtig antwoord bedacht. Het luidde: Van dit soort vragen. Dat antwoord heeft zelfs de schriftelijke ronde niet gehaald.