Net als ieder ander zou de zzp’er tijdens zijn carrière een voorziening voor de oude dag moeten opbouwen. Maar de praktijk is weerbarstig. Omdat het stelsel is ontworpen voor werknemers, moeten zzp’ers uitwijken naar andere mogelijkheden. Zzp’ers nemen graag zelf de touwtjes in handen over hun professionele leven. Als wij zzp’ers vragen naar hun ideale pensioenregeling, krijgen we steevast dezelfde antwoorden. Een pensioenregeling moet volgens hen voldoen aan: flexibiliteit, vrijwilligheid, toegankelijkheid en transparantie en dat alles tegen zo laag mogelijke kosten. Velen spreken vaak over de ‘wettelijke mogelijkheden die zelfstandigen missen’ voor pensioen. De mogelijkheden voor pensioenopbouw door zzp’ers verschillen immers van die van werknemers. Ook verschillen de mogelijkheden al naargelang hun ‘fiscale kwalificatie’. Misschien moeten we eerst kijken naar de behoeften van zzp’ers. Wat vinden zij van belang? Zzp’ers kiezen bewust om voor eigen rekening en risico te ondernemen.
Naar mijn
mening bevat de tweede pijler te weinig flexibiliteit voor zzp’ers. Het ene
jaar kunnen ze verlies lijden en het andere jaar een aanzienlijke winst maken.
Ze kunnen besluiten om een BV te starten of deze weer om te zetten naar de eenmanszaak.
Daarbij hebben veel zzp’ers vaak nog een (kleine) baan in loondienst, of ze
wisselen een paar jaar loondienst af met het zzp-schap. Er zijn ook zzp’ers die
bewust niet aan een pensioenregeling willen deelnemen. Zij hebben geïnvesteerd
in een bedrijf, of bezitten vermogen. Tegen de tijd dat ze met pensioen gaan,
besluiten ze om het opgebouwde kapitaal in te zetten voor een inkomen voor de
oude dag. Al met al moet het de vrije keuze van de ondernemer blijven om al dan
niet aan een pensioenregeling deel te nemen.
Dit neemt niet weg dat er verbeteringen denkbaar zijn. Wij pleiten al jaren voor het schrappen van belemmeringen in de pensioenopbouw voor zelfstandigen. Er zijn nu al pragmatische oplossingen getroffen. Zo heeft de zzp’er die uit loondienst komt, de mogelijkheid om langer bij zijn oude pensioenfonds te blijven. Dit voelt vertrouwd, maar of dit past in de behoefte aan flexibiliteit valt te bezien. Ook verschillen de toezeggingen binnen pensioenfondsen veel van elkaar. Dit heeft te maken met de gehanteerde franchise, de premieberekening en nog vele andere ‘pensioenvariabelen’. De premie valt soms hoger uit dan wanneer de zzp’er zelf iets regelt. Bovendien wekt het langer oprekken van de vrijwillige voortzetting mogelijk nog meer rechtsongelijkheid in de hand. Ex-werknemers krijgen zo immers meer mogelijkheden dan zzp’ers die al hun hele werkende bestaan ondernemer zijn. Dit kan niet de bedoeling zijn.
Voor de
zzp’er op hogere leeftijd is het vaak lastig een pensioengat te dichten. De
fiscale facilitering doet niet altijd recht aan de ‘levensloop’ of de
inkomensschommelingen van de zzp’er, die vaak op latere leeftijd als ondernemer
start. Voor het verder opbouwen van hun pensioen en het dichten van het
pensioengat zijn zzp’ers – van wie het overgrote deel geen BV heeft – naast de
fiscale oudedagsreserve aangewezen op de mogelijkheden in de derde pijler. Daar
is op zich niets mis mee, maar het wordt wel een probleem als de maximale
aanvulling van lijfrentepensioen een barrière vormt. Om maar niet te spreken
van de ingewikkelde wijze waarop die aanvulling wordt berekend. PZO wil daarom
een vereenvoudiging van de fiscale aftrek voor derdepijlerproducten. Hierbij
kan men denken aan een toetsvrije aftrek of een tekortenregeling.
Wij benadrukken graag de mogelijkheden die zzp’ers binnen het huidige systeem zelf aan alternatieven hebben. Zo kunnen ze in collectieven aanzienlijke kosten- en voorwaardentechnische voordelen behalen. Dit geldt ook voor de oudedagsvoorziening in de breedste zin van het woord. PZO doet voor zijn leden, zodat we de zzp’er beter mogelijkheden kunnen bieden die bij hen past.
Een uitgebreide versie van dit artikel is gepubliceerd in het blad Pensioen Magazine, mei 2010, nummer 5.