Hoewel ik TV kijken niet tot mijn allergrootste hobby’s reken, maak ik graag een uitzondering voor Andere Tijden. In dit programma wordt de al dan niet recente geschiedenis van ons land op zeer toegankelijke wijze onder de aandacht gebracht.
In de uitzending van deze week vertelden drie Groninger boerenknechten, ruim boven de negentig maar nog zeer vitaal, over het (werk) leven in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Met open mond gekeken en geluisterd!
De manier waarop de destijds piepjonge landbouwers werden behandeld door de herenboeren, je kunt je er nauwelijks iets bij voorstellen. Uitbuiting is het woord wat er nog het dichtst bij in de buurt komt. Hoewel de mannen een uiterst milde blik op het verre verleden hielden, hoefde de interviewer niet aan te komen met de dooddoener dat ‘vroeger alles beter was.’ Integendeel zelfs. Zonder aarzeling en zeer unaniem verklaarden betrokkenen dat pas na de oorlog betere tijden aanbraken.
Daarbij werd een vergaande mechanisatie van de landbouw als belangrijkste factor aangedragen. Bovendien bleek het tot stand komen van een solide stelsel van sociale zekerheid een stevige pijler onder een menswaardig bestaan. De boer ploegde weliswaar voort, maar onder veel betere omstandigheden.
‘Dit was Andere Tijden, terug naar de onze.’ Met de afkondiging van mijn favoriete programma maak ik de overstap naar de actualiteit. Meer in het bijzonder naar dat al genoemde stelstel van sociale zekerheid. Een fenomeen op zich. Maar wel wat uit de krachten gegroeid.
Om kosten en wet – en regelgeving beheersbaar te maken en te houden werden er in het achterliggende decennium forse bezuinigingsoperaties doorgevoerd. En als ik het interview met Minister Kamp (Volkskrant, zaterdag 19/2/11) goed interpreteer zijn we er nog lang niet. Werknemersverzekeringen, maar ook de Algemene Nabestaandenwet liggen onder vuur.
Voor een goed begrip, de aangekondigde hervormingen zijn volgens mij logisch en onontkoombaar, maar nopen wel tot een zeer zorgvuldige besluitgeving. Een balanceren tussen wat kan en moet. Dat geldt al evenzeer voor het plan ‘Werken naar Vermogen.’ Werknaam voor het in het regeerakkoord geopperde idee om de regelingen aan de onderkant van de arbeidsmarkt tot één regeling om te smeden.
Inzet van het komende wetsvoorstel is simpel gezegd een sterk verbeterde integratie van een groep Nederlanders die wel in staat is betaalde arbeid te verrichten maar daarbij niet het minimumloon kan bewerkstelligen. Deze groep, geschat op 250.000 met een groeipotentie naar 350.000, wordt met de huidige versnipperde uitvoering van Wsw (werkvoorziening), Wwb (‘bijstand’) en WAJONG, niet goed bereikt laat staan efficiënt ingezet in het arbeidsproces. Het samensmelten van genoemde regelingen kan daar een grote verbetering inbrengen.
Inmiddels adviseerde de commissie de Vries ons kabinet. Daarbij komt een in mijn ogen zeer zorgvuldige afweging van belangen naar voren. Een goede zaak! Na het benoemen van de bestaande knelpunten, biedt de commissie duidelijke oplossingen. Die liggen in werk boven inkomen en het centraal stellen van werknemer én werkgever. Wie niet in staat is het minimumloon te verdienen maar wel kan werken krijgt de passende ondersteuning. Daarbij geldt een ondergrens van 20% van het minimumloon. Wie minder verdient lijkt aangewezen op dagbesteding in het kader van de AWBZ. Wie echter meer dan het minimumloon verdient stroomt door naar betaald werk.
De beloningssystematiek in het nieuwe systeem bestaat uit drie onderdelen; een participatievergoeding, een loonwaardevergoeding en eventueel een aanvullende uitkering.
Belangrijkste punten zijn onder meer de uitvoering van de nieuwe regeling. Wie doet de o zo belangrijke indicatie en loonwaardebepaling van deze kwetsbare groep? Gemeenten? Of UWV? Of wordt er een aparte indicatiecommissie in het leven geroepen? En krijgen de gemeenten voor de uitvoering genoeg financiële middelen?
Daarnaast is het bieden van zogenaamde Persoonsgebonden budgetten (PGB) aan werknemers van belang. Daarmee kan de werknemer immers het heft zelf in handen nemen. Tenslotte moet bij werkgevers de argwaan tegen de regeling worden weggenomen. Waar de uitvoering van regelgeving nu weinig transparant is en de werkgever dus weinig gevoel krijgt van nut en noodzaak, zijn goede afspraken, bijvoorbeeld in CAO’s, een manier om de werkgever te winnen voor het in dienstnemen van een werknemer met net even wat minder mogelijkheden. Of met een beter woord, andere mogelijkheden.
In mijn naaste omgeving heb ik met eigen ogen kunnen constateren hoe belangrijk een zinvolle dagbesteding is voor de leden van deze kwetsbare groep.
Op het gevaar af pathetisch te klinken hoop ik dat het formuleren van het definitieve voorstel met de grootste zorg plaatsvindt. En dat invoering van zo’n regeling pas wordt doorgevoerd op het moment dat het echt helemaal klaar is! Net als alle andere wijzigingen in de wetgeving de komende jaren. Te drieste dadendrang zorgt volgens mij alleen maar voor meer onduidelijkheid in de sociale zekerheidswetgeving.
En daarvoor is het systeem mij toch net iets te dierbaar. Ik wil graag naar Groningen. Maar niet naar de jaren 30!