We zagen het al aankomen, maar sinds Prinsjesdag weten we
het zeker. De werkloosheid zal de komende jaren groeien tot 615.000. Het door overheid
en politiek gepropageerde recht op werk voor iedereen komt daardoor in het gedrang.
Neem S. Hij is 52, heeft vijftien jaar geleden een
hartinfarct gehad en daarna ernstige psychische klachten. Zijn werk als
programmeur moest hij opgeven. De Wet Verbetering Poortwachter bestond nog
niet, maar met re-integratie van het UWV volgde hij een opleiding voor archief
en documentatiebeheer en via een gespecialiseerd detacheringsbureau kreeg hij
geregeld werk voor maanden of een halfjaar, soms met verlenging. Tot ieders
tevredenheid.
Toen kreeg hij een tia. Hij herstelde daarvan goed en ging
weer aan het werk, vaak ingehuurd om dossierachterstanden in te halen. Een vast
dienstverband zat er niet in, ook niet bij het detacheringsbureau. Maar de ene
na de andere tijdelijke baan eindigde of werd hem weer afgenomen. Waarom? Omdat
hij te langzaam was.
Als gevolg van de tia kon hij het werktempo van - veelal jongere - collega’s die dossier na dossier fluitend wegwerkten niet bijbenen. Dat de kwaliteit van zijn werk hoog was, telde niet eens mee. Er waren genoeg werkpaarden te krijgen die harder renden.
Na een tijd een ziekengelduitkering te hebben gehad, heeft de
verzekeringsarts nu vastgesteld dat S. best twintig uur per week kan werken.
Dat vindt hij zelf ook en hij wil graag werken. Alleen, welk werk en waar?
Soms vraag ik me af of we ons met alle invalshoeken van het recht
op werk, op zich een gewenst uitgangspunt, niet wijsmaken dat er voor iedereen
werk is. Iedereen kan iets, dat is duidelijk. Maar is daar ook zoveel vraag
naar dat voor al die mensen werk te vinden is? We weten allemaal al lang dat we
daarop regelmatig nee moeten zeggen.
Met de komende werkloosheid wordt de kans voor mensen als S.
om een baan te vinden, zelfs voor maar twintig uur, erg klein. Als werk er niet
is, houdt het op. Maar dat er in de maatschappelijke ratrace voor mensen die
hun werk noodgedwongen een tikje langzamer moeten doen helemaal geen plaats
meer is, heeft minder met werkloosheid maar alles met mentaliteit te maken. Er
zijn paarden die een race niet kunnen winnen. Dat is een feit. Een paard niet
mee laten lopen is een keuze.
Iedereen met ongeacht welke uitkering zou daar iéts voor
moeten doen. Dat is goed voor zijn gevoel van eigenwaarde en goed voor het
gevoel van andere werkenden die zien dat de zwakkeren toch mede maatschappelijke
verantwoordelijkheid dragen.
Maar los van de wil om dit te organiseren betekent het een
administratieve rompslomp waar niet overheen te kijken valt, reden dat zo’n
plan veel meer zal kosten dan het ooit kan opleveren. Ook als het kabinet de
administratieve lasten voor ondernemers nog verder zou verlagen, ook als het
nog meer zou investeren in arbeidsmarkt, duurzame economie en bedrijfsleven. En
daar zit de crux.
Een rechtvaardige verdeling van de arbeid kost geld, geld dat met arbeid verdiend moet worden. Maar dat om het recht op werk te verwezenlijken niet alleen de zwakkeren bereid moeten zijn iets te doen, maar dat ook de maatschappelijke winnaars dan bereid moeten zijn iets te laten, is nog niet doorgedrongen. Aan een rechtvaardige verdeling van de arbeid zijn we nog lang niet toe. Werkwillende mensen als S. worden straks uitgesloten van de race.