Onlangs zat ik in een hotel in Wenen te ontbijten. Aan mijn tafel verscheen een struise dame in een wit schort. Ze plantte haar handen in haar zij en baste met een typisch Weens accent: ‘Youwannahardorsoftboiledegg’. Het duurde even voor ik begreep dat ze vroeg of ik een hard of zachtgekookt eitje wilde. Ik kon niet direct kiezen.
Een hard gekookt ei in een hotel wordt meestal zolang ondergedompeld dat de dooier groen uitslaat. Bij een zachtgekookt ei bestaat de kans dat het eigeel als water van je boterham loopt. Toen ze ongeduldig werd, bestelde ik een medium gekookt ei. Iets later bracht ze het. Het eiwit was wat waterig, maar de dooier was een stevige gele bal in. Een mooi compromis. Een harde kern met een zachte buitenlaag. Totdat ik op de dooier tikte en het eigeel eruit spoot. Die kern was toch niet zo hard als het leek.
Harde en zachte rechten in aanvullend pensioen
Aan dit voorval moest ik denken toen ik afgelopen zondag tijdens de brunch naar het programma Buitenhof keek. Daarin voerden de voorzitter van FNV Bondgenoten Henk van der Kolk, Tweede Kamerlid van GroenLinks Jolande Sap en hoogleraar Macro-economie Roel Beetsma een debat over het nieuwe pensioenstelsel. Van der Kolk bepleitte een onderscheid tussen harde en zachte rechten in de aanvullende pensioenen. In het pensioenakkoord dat vakbonden en werkgeversorganisaties hebben gesloten heet dat het combicontract.
Maar is die kern van het combicontract wel zo hard, als Van der Klok suggereert? Beetsma wees er terecht op dat het garanderen van harde rechten betekent dat je een voorzichtig beleggingsbeleid moet voeren, waardoor het rendement laag is en de premie hoog. Verzekeraars weten daar alles van. Zij voeren al jarenlang voor middelloonregelingen een product waarbij een nominale garantie geldt en de indexatie moet worden betaald uit de overrente of extra beleggingsopbrengsten.
Conservatief beleggingsbeleid
Die nominale garantie vraagt om een conservatief beleggingsbeleid. Daarom beleggen verzekeraars vooral in vastrentende waarden, zoals obligaties. Dit in tegenstelling tot pensioenfondsen die soms tot bijna de helft beleggen in aandelen. Bovendien moeten die harde rechten bij de verzekeraars ook keihard gegarandeerd zijn. Onder Solvency II gaat een zekerheidsnorm van 99,5% gelden.
In de pleidooien van vakbeweging en pensioenfondsen voor het combicontract mis ik die zekerheid. Zij willen ook voor de harde kern vasthouden aan het Financieel Toetsingskader, waarin een zekerheidsnorm van 97,5% zit. Daarmee is die harde kern niet echt hard.
Overpeinzingen
Het bracht mij tot wat zondagochtend overpeinzingen. Zou de burger het begrijpen als zijn harde rechten niet echt hard blijken te zijn? Waarom is hier geen level playing field? Waarom zouden voor pensioenfondsen soepeler regels moeten gelden dan voor verzekeraars bij het garanderen van harde rechten? Moet je onderscheid maken op basis van de aanbieder van het combicontract of op basis van de aard van het combicontract?
Met andere woorden, als voor pensioenfondsen in het combicontract de zekerheidsnorm van 97,5% gaat gelden, waarom zou die dan ook niet kunnen gelden voor verzekeraars? Of andersom, als voor verzekeraars bij harde rechten de zekerheidsnorm van 99,5% geldt, waarom zou die dan niet gelden voor pensioenfondsen?
Hasko van Dalen, Directeur Beleidsontwikkeling Pensioenen bij Nationale-Nederlanden, voor FD Selections