40-jaar vakbondslid
Hasko van Dalen
Lid van de vakbond werd ik in 1968 eigenlijk niet uit
vrije wil. Ik werkte dat jaar bij een Utrechtse Ford dealer, als tijdschrijver.
Alle CNV-bestuurders reden in die tijd in een Fordje en kwamen dus bij ons
langs voor onderhoud en reparaties. Iedere keer probeerden ze mij over te halen
lid te worden van het CNV. Ik vond dat maar onzin. Mijn vader zat al enkele
jaren in het bestuur van het CNV. Als
opstandige puber wilde ik niet via mijn contributie meebetalen aan zijn
salaris. Uiteindelijk heeft een van zijn collega’s mij maar gewoon als lid
aangemeld. Toen kon ik niet meer terug. In het begin was ik een passief lid.
Vanaf het moment dat ik mijn eerste schreden in de wereld van de sociale
zekerheid zette (in 1970) werd ik ook actief. Tijdens de 21 jaar dat ik op het
ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werkte heb ik talloze
activiteiten verricht voor de ambtenarenbond van het CNV, onder andere als lid
van de medezeggenschapsraad (een soort OR). Toen ik in 1995 overstapte naar
Nationale-Nederlanden wilde ik alleen snurkend lid blijven. De toenmalige
vice-voorzitter van het CNV stak daar een stokje voor. Zijn naam? Aart Jan de
Geus. Sinds 1980 kwamen wij elkaar regelmatig tegen in allerlei werkgroepen
sociale zekerheid van het CNV en het CDA. Hij vond dat ik minstens kaderlid
moest blijven. De ironie van het lot wil dat Aart Jan de Geus vervolgens een
zwaar stempel drukte op mijn werk bij Nationale-Nederlanden. Toen hij minister
werd, produceerde hij de WIA. Tot op de dag van vandaag heb ik daar mijn handen
aan vol. Voor vakbondswerk is geen tijd meer. De rollen zijn zelfs omgedraaid.
Namens Nationale-Nederlanden zit ik in de commissie Sociale Zekerheid van
werkgeversvereniging VNO-NCW. Voor die werkgeversclub ben ik ook lid van de
SER-commissie sociale zekerheid en gezondheidszorg. Dan zit je recht tegenover
de vakbondsvertegenwoordigers. Mijn CNV
speldje doe ik dan maar niet op
.